Vanuit het Verhalenloket, week 41

Dit is voorlopig de laatste Vanuit het Verhalenloket ‘in functie’, want mijn verlof is nu zo ongeveer begonnen. Ik moet nog wat administratie afhandelen en achter mensen aan mailen en zo, maar mijn laatste deadline was woensdag. Ik moet er nog een beetje aan wennen! Maar ik vind het wel heel fijn dat het zo kan en ik ben ook opgelucht dat ik alles af heb kunnen maken zonder dat de baby ineens al werd geboren.

Zoals ik eerder al schreef ga ik stoppen (of inmiddels ben ik dus gestopt) met het geven van feedback aan cursisten van ‘Ontdek je schrijftalent’. Aan de ene kant heel jammer, aan de andere kant weet ik ook wel waarom, want de laatste weken heb ik hier nog veel werk aan gehad en het is ook nog niet helemaal afgehandeld. Ik had het best goed geregeld, dacht ik, cursisten op tijd op de hoogte gesteld van de ‘deadline’ als ze nog wilden dat ik hun opdrachten zou beoordelen. De berichtjes met mooie wensen voor mij en de baby waren heel fijn om te krijgen en sommigen gingen ook echt nog snel de cursus afronden zodat ze dat bij mij konden doen. Er waren echter ook mensen die nog niet aan de cursus begonnen waren (en dus mijn mail niet hadden gehad), maar wel op de allerlaatste avond nietsvermoedend opdrachten inleverden. Dat zul je altijd zien! Iedereen heeft inmiddels feedback en antwoorden gehad, maar dat had heel wat voeten in de aarde.

Vooral ook omdat ik ondertussen nog een grote, belangrijke opdracht af moest ronden. Namelijk de redactie van een boek over psychologie, de nieuwe editie ervan. Ik heb aan eerdere edities ook meegewerkt (op dat soort momenten realiseer ik me altijd ineens dat ik toch al best lang bezig ben) en psychologie is toch wel een van mijn favoriete non-fictieonderwerpen, dus ik wilde het heel graag doen. En het zou nog net moeten kunnen voor mijn verlof. En het kon ook, maar uiteindelijk was het krap, ik heb het grootste deel van het weekend doorgewerkt en lange dagen gemaakt tot en met woensdag. Wat niet echt uitmaakt omdat ik nu verlof heb, maar wat toch niet zo ideaal was. Dan merk ik gewoon wel dat ik wat sneller moe ben.

Er zit ook altijd wel een hoofdstuk over stress in zo’n boek, waar ik meestal net als ik gestrest ben in beland. Of je leest dat je ‘s middags een periode van ‘psychische lusteloosheid’ doormaakt op een middag dat je het een beetje zat bent. Maar er was ook veel moois in te vinden, zoals wat de baby straks hopelijk allemaal zal kunnen. De uitleg van het begrip ‘stimulusdiscriminatie’ (heeft met klassieke conditionering te maken), waar ik altijd om moet lachen: ‘Hoewel je misschien als kind hebt geleerd om speeksel af te scheiden als je de lunchbel hoort, begin je waarschijnlijk niet te kwijlen als de deurbel gaat.’ De afbeeldingen en figuren zitten op dit moment nog niet in het manuscript, maar zijn grotendeels al wel uitgezocht en omschreven, waardoor je dingen tegenkomt als [Invoegen foto sympathiek uitziende mannetjes op bankje].

Maar het meest hou ik denk ik toch van de onderzoeken. Als je af en toe een psychologieboek redigeert, kom je veel dezelfde klassiek geworden onderzoeken tegen. Daardoor krijg je het idee dat je er iets van weet, en dat is natuurlijk altijd prettig. Er zitten ook echt pareltjes tussen.

Zoals een onderzoek met ratten, waarbij studenten ratten moesten trainen en ze tegen sommige studenten zeiden: ‘Jouw rat is dus echt superslim.’ En dat die studenten dan ook rapporteerden dat hun ratten beter presteerden dan die van studenten tegen wie dat niet was gezegd. Je raadt het al: in werkelijkheid kwamen alle ratten uit dezelfde kooi en waren ze willekeurig verdeeld. (Rosenthal & Lawson, 1964).

Of dat onderzoek over de Barmhartige Samaritaan. Daarbij moesten priesterstudenten een preek voorbereiden over het Bijbelverhaal van de Barmhartige Samaritaan. Die preek zou worden beoordeeld en ze moesten hem houden in een gebouw even verderop. Onderweg daarheen kwamen ze een man tegen die in elkaar was gezakt. Hielpen ze die man? Dat bleek nog niet zo vanzelfsprekend, zeker niet als ze zogenaamd te laat dreigden te komen. Hoe ironisch. (Darley & Batson, 1973)

En dan natuurlijk het onderzoek waarbij mensen aan wie niets mankeerde gingen proberen om zich op te laten nemen in een psychiatrische kliniek. Hun enige klacht was dat ze stemmen hoorden die ‘plop’ en nog wat andere onnozele dingen zeiden. Desondanks werden ze zonder veel plichtplegingen opgenomen en bijna allemaal ook gediagnosticeerd met schizofrenie. Vervolgens deden ze alsof hun klacht verdwenen was en probeerden ze weer uit de kliniek ontslagen te worden. Met al die ambulante begeleiding nu zouden ze waarschijnlijk niet eens zijn opgenomen, vermoed ik, maar destijds kostte het ze enorm veel moeite om te ‘ontsnappen’! Ze maakten aantekeningen over de gang van zaken in de kliniek, wat door het verplegend personeel werd aangeduid als zorgwekkend ‘schrijfgedrag’. En een proefpersoon zat er maar liefst twee maanden! (Rosenhan, 1973)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *