Dochter

A. blogt elke week een gedichtje over het leven met haar baby, en dan wil ik ook zoiets, omdat het allemaal zo snel gaat. Tegelijkertijd weet ik dat dat niets voor mij is, ik zou er meteen een veel te ambitieus project van maken en ik schrijf altijd al zo langzaam, vaak over dingen die veel langer geleden hebben plaatsgevonden. Ik heb nog erg weinig energie en ben al blij als het lukt de dag aangekleed door te brengen, een wasje te draaien, wat boodschappen te doen, een redelijk gezonde maaltijd op tafel te zetten.

Met de dochter, S. (ik heb lang getwijfeld hoe ik haar hier wilde noemen, nu dan toch maar bij haar voorletter), gaat het goed. Geloof ik. Soms geloof ik het niet, als ik de hele dag alleen met haar ben en ze blijft huilen en niets goed is. Laatst waren ze zelfs tevreden op het consultatiebureau. Het hielp dat ze dit keer niet het hele gesprek lang krijste, maar in mijn armen lag te slapen, in haar Teigetje-badjasje. Ze was ineens meer dan een kilo aangekomen en zat een lijntje hoger in de heilige curve. We hoeven haar nu ‘s nachts niet meer wakker te maken voor een voeding. Dat wil nog niet zeggen dat we volledige nachten slapen, maar ik was er toch erg trots op, omdat het blijkbaar toch iets oplevert, die ellendige borstvoeding die ook tijdens het afbouwen nog zoveel problemen geeft. Ze hebben dit keer ook zowaar niet later nog gebeld omdat ze wilden weten hoe het ging.

S. wil nu soms liever in de box liggen dan op ons, maar dan moeten we wel naast de box komen zitten. Haar ogen vallen dicht als ik de stofzuiger aanzet. Ze gaat huilen als ze denkt dat ze alleen is. Ik vind het zo belangrijk dat ze dat niet hoeft te denken, dat het niet zo is. Eerst zei ze alleen onwillekeurig ‘eu’, nu is het eerder ‘heuj-heuj’ en lijkt het soms een antwoord of bedoeld om ons te roepen.

Niet alleen wij, maar iedereen om ons heen heeft er een andere rol bij. Het maakt sommige dingen zoveel makkelijker. Ik geniet er erg van dat zij er zo van genieten. Dat S. in de kinderwagenbak om het hoekje in de woonkamer lag, maar van P. per se in de keuken erbij moest toen we gingen gourmetten. Dat het toetje zo snel mogelijk werd opgegeten, zodat S. weer kon worden vastgehouden.

Dat Y. eerst concludeerde dat ze ‘de baby niet zo leuk’ vond, maar nu soms doet alsof ze een baby is die S. heet, waarbij nicht M. mij moet spelen.

Vooral dat S. begint te lachen als M. thuiskomt uit haar werk, tenzij die haar capuchon nog opheeft. De verhalen die M. tegen haar houdt. En gewoon die twee, hoe gewoon dat soms al voelt en tegelijkertijd hoe bijzonder. Gewoon wij drieën.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *