COVID-19

Ik ben gewoon moe. Van het vrijwel 24/7 met de kinderen zijn, van mijn werk in de helft van de tijd moeten proppen, van piekeren over hoe het allemaal moet en of ik straks ook nog wel werk zal hebben. Van de zoveelste gebroken nacht, S.’ zoveelste driftbui, voor de zoveelste keer D. van de bank plukken, nét voor ze zichzelf lanceert. Van mijn hypochondrie, van de zorgen over D. en haar koortsstuipen (meervoud, ja, helaas heeft ze er na de BMR-vaccinatie nog een gehad, zij het een ‘gewone’ waarvoor ze niet naar het ziekenhuis hoefde) en het overleggen met alle zorgverleners en de leveringsproblemen rond haar noodmedicatie (die de tweede keer dus gelukkig werkte). Van de zorgen over mijn familie en vrienden. Van hooikoorts en menstruatiepijn.

Van de onzekerheid over de toekomst en de risico’s en of ik de maatregelen goed begrijp en hoe anderen ze interpreteren en wie er dan gelijk heeft. Van de ergernis over de mensen die zich er zeker weten niet aan houden. De uitpuilende speeltuin, de samenscholende tieners. De mensen die toch niet alleen naar de supermarkt komen en dan midden in de supermarkt met andere mensen die óók niet alleen zijn gekomen een kletspraatje houden over hoeveel fijner het is om samen boodschappen te doen, alleen wel overdreven dat je dan per se allebei een karretje mee moet nemen, want dan loopt er dus een met een leeg karretje rond. Van S. elke keer uit moeten leggen waarom ze niet mee mag naar de supermarkt, waarom zoveel dingen nu niet kunnen.

Van naar buiten moeten. Van te weinig naar buiten gaan. Van overdag te weinig rust krijgen en daardoor steeds veel te laat naar bed gaan.

Van moeders die helemaal zen zijn. Van mensen die zeggen dat je geen kinderen had moeten nemen als dit je zwaar valt. Van de mensen zonder kinderen die ineens te veel tijd hebben. En die dan tips sturen voor dingen om te lezen, kijken, doen, beginnen. En die wel sporten, juist nu sporten.

Van dat ik van mezelf steeds dankbaar moet zijn dat we gezond zijn, dat we veilig zijn, dat we samen zijn. Van ‘tot nu toe’ overal achteraan.

D. in het ziekenhuis

Anderhalve week geleden is onze lieve D. op de intensive care van het WKZ beland na een heftige atypische koortsstuip. Daar wil ik een heleboel over schrijven, maar dat lukt nog niet zo. Het meeste lukt nog niet zo. Het hele gebeuren heeft veel impact op ons allemaal. Ze moest mee met de ambulance, er stond letterlijk een kamer vol mensen op ons te wachten op de Spoedeisende Hulp. De neuroloog die op was geroepen en naar binnen rende in haar gewone kleren. De anesthesist die erbij moest komen. Ze wisten niet precies wat het was. Ze bleven maar spierverslappers geven volgens het protocol. Ze kwamen steeds verder in het protocol. Er was een moment waarop ze eruit leek te komen, ons weer leek te zien. ‘U begrijpt dat we haar hier gaan houden,’ zei de kinderarts, en dat ze haar dan straks naar de kinderafdeling zouden verplaatsen. Er gingen mensen weg, de verpleegkundige was benieuwd hoe onze kinderen ons noemden, haar dochter en schoondochter kregen ook een baby. Toen ging het ineens weer slechter, kwam iedereen weer terug. Nog meer spierverslappers. Ze kwamen aan het einde van het protocol. Dat betekende dat ze haar in het perifere ziekenhuis niet meer goed konden helpen, maar het klonk alsof ze doodging. De anesthesist wilde naar de OK, waar hij ‘alles bij de hand had’. Ze had zoveel medicatie gekregen dat ze beademd moest worden. Ik mocht mee, in een speciaal pak. Ze legden haar op een speciale deken met warme lucht erin. Er was een speciaal team vanuit het WKZ onderweg. Iemand zei: ‘U hoort nu van alles, maar we vertellen het u zo, hoor.’ De kinderarts zei: ‘Moeder moet nu weg.’ De operatieassistente zei: ‘We gaan heel goed op haar passen.’ Intubatie schijnt akelig te zijn.
Ik moest op de gang wachten. Daar was M. inmiddels ook. Het team uit het WKZ arriveerde. ‘Bent u familie?’
‘De moeders.’
‘Ah. Ik ga er nu eerst heen en dan praat ik u zo bij.’
Weer wachten.
We mochten terugkomen. Gedoe met een folder over de kinder-IC, mijn ergernis dat M. nog steeds haar eigen telefoonnummer niet uit haar hoofd kent, iemand haalde alle kastjes overhoop op zoek naar een dun genoeg slangetje terwijl de mensen van het WKZ dat zelf bij zich hadden. De mededeling dat ze op dat moment niet in levensgevaar was. Dat was de hele avond nog niet gezegd, dus dat was fijn om te horen, maar de arts vertelde ook dat ze nu moesten gaan kijken wat dit was. Dat het best iets onschuldigs kon zijn, maar dat we ons absoluut niet hoefden te haasten als we naar het WKZ reden, want dat ze haar eerst in de CT-scan gingen leggen, hersenvocht gingen afnemen en wat al niet meer. Als ze dat op zaterdagavond ineens allemaal gaan doen, begrijpen leken ook wel dat het ernstig is. Weer afscheid van D. nemen. We mochten haar gerust een kus geven van de verpleegkundige, maar haar kleine hoofdje lag te diep tussen een soort stootkussens.

Naar huis. In een waas spullen pakken. Naar het WKZ rijden (M. reed), piekerend over hersentumoren omdat ze steeds moest overgeven. Eigenlijk geen idee of daar een link tussen is. Ze waren net op de IC, maar ze moesten nog van alles doen, dus we moesten weer weg, hebben wel iets van een uur zitten wachten in een of andere ouderkamer, telkens schrikkend van de geluiden die de koffieautomaat maakte. Er verscheen een vrouw in pyjama: ‘Ik schrik van jullie. Ik had niet verwacht dat hier iemand zou zijn op dit tijdstip.’ Alsof wij daar op dat tijdstip hadden willen zijn. Of ooit.

Uiteindelijk mochten we bij haar. Ik ben nog steeds enorm onder de indruk van de kinder-IC en de mensen die daar werken. Ze was in ieder geval ergens waar ze alles konden doen wat mogelijk was. We hebben vrijwel de hele nacht aan haar bed gezeten. Ze konden ons steeds op een puntje geruststellen. Ze hadden niets gezien op de scan. Het hersenvocht was ‘mooi helder’. Ze reageerde goed toen de medicatie iets werd verlaagd. Ondertussen lag ze daar aan tig snoeren en slangen en leek ze zowat te stikken als ze moest hoesten. De ambulancebroeder had bij ons thuis een dekentje meegegrist en dat hadden ze over haar heen gelegd. Ze had haar konijnendoek, ze zeiden steeds dat we haar mochten aanraken.

De volgende ochtend werd de medicatie weer verlaagd, en toen weer iets verhoogd omdat ze zo wakker werd dat ze de beademingsbuis eruit probeerde te werken. Later mocht ze alsnog van de beademing af. De artsen kwamen langs. ‘Ze lijkt de gunstigste kaart te hebben getrokken,’ zei de arts die haar was komen ophalen. En dat het toch een koortsstuip leek te zijn geweest. En dat ze dus niet wisten hoe het nu verder zou gaan. Kans op herhaling. Misschien gebeurt er nooit meer iets, misschien wel, misschien minder heftig, misschien niet, misschien toch een voorbode van epilepsie, kan allemaal. Dat blijf ik enorm ingewikkeld vinden. Het is voor mij allemaal sowieso erg beladen doordat ik ben opgegroeid met epilepsie in mijn nabije omgeving.

Ze is nog een paar dagen op een gewone verpleegafdeling geweest, waar ik een andere keer misschien nog wel meer over zal schrijven. Eerst viel ze steeds om, keek ze langs ons heen, huilde en jammerde steeds als ze wakker was. Dat was heel akelig, hoe vaak ze ook zeiden dat het door de medicatie kwam en dat het er verpleegkundig en neurologisch goed uitzag. We konden maar weinig met z’n vieren bij elkaar zijn, en ik en D. waren sowieso niet thuis. Het enige lachje van de dag was voor S. toen ze die zag op mijn telefoon. Ik was zo blij dat ik nog borstvoeding geef, dat was het enige wat haar nog een beetje leek te troosten, wat ze dan in ieder geval binnenkreeg. Ze wilde amper eten, al at ze wel voor het eerst van haar leven een Danoontje. Desondanks mochten we naar huis, met een speciale neusspray waar we ook een recept voor hadden gekregen, maar de verpleegkundige zei dat ze er altijd een meegaf, want ze kunnen je daar wel een recept voor geven, maar wat doe je dan als je ’m onderweg naar huis al nodig hebt, dacht zij dan altijd. Goedbedoeld, maar niet wat je wilt horen. Daarnaast is de neusspray slechts voor alvast, zoals S. ergens heeft opgevangen: ‘Als D. weer een koortsstuip krijgt: druppeltjes geven en de ambulance bellen!’ Ze heeft het zien gebeuren en was totaal van slag. Het enorme schuldgevoel naar haar toe.

De onzekerheid thuis. Hyperalert bij elk geluidje, elke beweging. De enorme stress toen we lazen dat je bij spoed wel wordt geholpen, maar je je dan binnen 14 dagen alsnog moet kunnen identificeren om de zorgkosten vergoed te krijgen. D. had nog geen ID-kaart. Afgesnauwd worden als je in paniek de ziekenhuizen belt om te informeren wat je daarmee moet, terwijl je alleen maar wilt voorkomen dat er torenhoge rekeningen op je mat ploffen. Zo ongeveer huilen aan de telefoon als iemand zegt dat ze echt wel begrijpen dat dat niet altijd zomaar op stel en sprong geregeld kan worden en dat ze nog nooit heeft meegemaakt dat ouders ineens rekeningen krijgen. Horen hoe een verpleegkundige je nog net even voor het ophangen belachelijk maakt omdat je ook maar meteen vroeg of je de pleister op D.’s rug eraf mag halen. Huilen omdat je toch niet weet hoe groot het gat is dat daaronder zit. De dagen daarop was D. moe en moest ze nog veel hoesten, kokhalzen en soms overgeven. Extra naar omdat ze voor en tijdens de stuip ook zoveel had overgegeven. Uiteindelijk heeft M. zelfs nog de huisartsenpost gebeld om te overleggen. Daar reageerden ze begripvol en bevestigden ze dat het nog van de beademingsbuis kon komen.

De maandag daarop ging ze weer naar de crèche. Moeilijk om haar daar achter te laten, terwijl ik weet dat ze haar heus wel goed in de gaten houden daar. Van werken is tot nu toe maar weinig gekomen. Een week helemaal niets. Nu nog steeds geen concentratie. Ik neem voorlopig geen nieuwe dingen aan. De reacties van mijn opdrachtgevers hebben me enorm geraakt, ze zijn de beste. Hun woorden, hun bloemen zelfs in een geval, hun begrip. Alles kan worden uitgesteld of teruggegeven, geen probleem. Geen werk betekent geen geld, dus ik hoop weer snel meer te kunnen doen, maar dat helpt allemaal wel een beetje. Net als alle appjes en hulp van anderen. We zijn niet alleen.

Nu is ze weer verkouden. Andere geluidjes, andere redenen om elke keer recht overeind te schieten in bed. Wat als ze nu weer koorts krijgt? De doemscenario’s rond het coronavirus. Wat als de IC’s vol komen te liggen en ze precies dan… Dat heeft geen zin. We moeten er maar het beste van hopen. De ondeugende uitdrukking in haar ogen is weer terug. Ze klimt op de speelgoedbak, op de trap als ze de kans krijgt. We kunnen haar lieve stemmetje weer horen (ook al zegt ze nog niet veel meer dan ‘huuuuu’,’bah’ en heel af en toe ‘mama’). Hoe ze aap gebaart, god, zelfs hoe ze elke dag opnieuw mijn mouw vastpakt met een hand vol stroop of pindakaas. We horen bij elkaar.

Handwerken in januari

Gemaakt

Ik dacht eerst dat ik mijn FO van deze maand nog niet kon laten zien, want de baby voor wie ik het breide bleef behoorlijk lang in de buik zitten en is niet van iemand bij wie we direct op de stoep staan. Het is onwaarschijnlijk dat de moeder deze blog leest, maar toch. Het duurde echter zo lang voor ik deze blog af had dat M. inmiddels toch op kraambezoek is geweest. Welkom, O.!

Dit is de Garter Ear Flap Hat, een muts die iedereen en z’n moeder al heeft gebreid. Het is een gratis patroon van Laura Ferguson voor Purl Soho, in alle mogelijke maten. Ik heb de kleinste maat gebreid (Baby). Helaas wel ook op iets dunnere naalden dan waar het patroon om vraagt, namelijk 4 mm in plaats van 4,5 mm, omdat ik geen 4,5 mm bleek te hebben. Ik heb hier alleen iemand van net 1 met een relatief klein hoofd in huis die het mutsje net niet paste. Ik hoopte daaruit op te kunnen maken dat hij groot genoeg zou zijn voor een newborn. En hij paste en viel in de smaak, dus dat was mooi.

Ik heb een restje garen gebruikt van de regenboogdeken die ik voor D. heb gebruikt, Creative Cotton Aran van Rico in de kleur Natural. Dat vond ik wel erg saai worden, dus ik heb na afloop nog met wat restjes katoen de minderingen aangezet en de franje opgeleukt.

Het is een eenvoudig patroon, al kreeg ik het toch voor elkaar om de ear flaps te vernachelen door niet goed te lezen. De tweede poging slaagde gelukkig wel. Ik denk dat ik er nog weleens eentje ga maken!

Mee bezig

Hier kan ik nog niet veel van laten zien, omdat het een uitprobeersel is voor een patroon in de verre toekomst. Geen idee nog of het iets gaat worden. Ik denk steeds dat het heel leuk zou kunnen worden, maar veel hangt af van garendikte en hoe erg het is dat gebreide steken langwerpig zijn in plaats van vierkant. Momenteel ben ik er eigenlijk vrij pessimistisch over, het is gepriegel en wordt nog niet echt zoals ik het in mijn hoofd had. Misschien hoor je er hierna nooit meer iets over (sorry dan), maar ik heb er wel veel tijd aan besteed, dus ik wilde het toch noemen. In ieder geval heb ik veel geleerd over meerderen, minderen en opzetten bij dubbelbreien, en dat komt vast nog van pas.

Dit is mijn Varma-pullover. Het patroon is van Sari Nordlund en ik brei met Organic Trio van Hjertegarn. Ik brei maat S, hij hoort ruim te vallen, maar hij hoeft van mij niet zo heel ruim. Wel graag ietsje langer, omdat hij anders zo lang zou worden als een trui die ik eerder heb gebreid en die ik eigenlijk net te kort vind (maar niet langer kon maken, want mijn garen was op).
Het wordt zo langzamerhand echt een beetje sneu, want ik heb in september het voorpand al opgezet en het is nog niet af. Dat komt door het werkje in het midden, dat ik nog steeds best tof vind, maar wel steeds minder omdat het zo irritant is om te breien. Ik moet het af en toe echt even van veraf bekijken om te zien waar ik het voor doe. Het zijn allemaal gedraaide en gekruiste steken, en soms wijken ze ook nog eens af in de teruggaande naalden. Dus ik ben continu in de weer met m’n patroon en m’n kabelnaald, ik kom traag vooruit en doordat ik het steeds lang laat liggen, vergeet ik elke keer waar ik ben in het patroon (want waarom zou je dat noteren, hè, dat zou te makkelijk zijn).

Organic Trio voelt apart, vind ik, het is vooral stroef. Maar het breit eigenlijk wel fijn (was een tip van schoonzus). Ik was eigenlijk niet van plan om deze trui nu weer op te pakken, ik was al op zoek naar iets nieuws waar ik aan zou kunnen werken toen ik met de trein weg moest, maar uiteindelijk kon ik niet echt iets vinden, met alles was wel wat en ik had ook geen tijd meer, dus toen pakte ik toch deze trui maar. In de trein heb ik er niet veel aan gedaan (alleen een paar naalden op de heenweg), maar dat was blijkbaar genoeg om er thuis ook weer wat motivatie voor te vinden. Ik kijk nu enorm uit naar de shoulder shaping, als ik eindelijk steken mag gaan afkanten. En ik heb het achterpand al, dus ik hoop dat het straks ineens heel snel gaat als de panden eenmaal aan elkaar zitten. Dat zal wel weer niet, alleen al omdat ik dingen in elkaar zetten haat, maar dan hoef ik in ieder geval niets meer met die kabels.

Aan mijn Celestarium heb ik nog helemaal niks gedaan dit jaar, terwijl ik dat project dit jaar juist af wil maken.

Handwerkloket

Ook met mijn patroon (tweede patroon, eerste haakpatroon) schoot het heel lang niet op, te druk met werk, te moe. Ik zou dat ook moeten benaderen als werk, alleen al omdat de Belastingdienst dat ook doet, maar ik vind het heel lastig, onder andere omdat het zeker niet gezegd is dat ik hier ooit iets aan ga verdienen. Maar na een veeleisende deadline lukte het wel om er tijd aan te besteden, simpelweg omdat redigeren nauwelijks lukte. Nu ben ik een heel eind, ik moet vooral de Engelse vertaling nog en het intro voor op Ravelry. Natuurlijk zou het nog beter worden als ik het professioneel liet fotograferen, vertalen, tech editen en testen, maar dat zit er op dit moment gewoon echt niet in, dus ik ga voor het beste wat ik zelf kan bieden. Dit is de Sketchbook Scarf, een gigantische sjaal met kleurpotloden, franje en borduursel in twaalf kleuren. Hopelijk later deze maand online!

Favorieten

Ik heb een etui gekocht voor alle rondslingerende benodigdheden: een schaar, centimeter, naalden, steekmarkeerders enzovoort. Nu slingert er alsnog van alles rond, want ik ben onverbeterlijk (ik ben ook altijd in de weer met mijn naaldenmeter omdat ik mijn rondbreinaalden niet in de verpakking terugstop, dat wil zeggen, als ik mijn naaldenmeter niet óók kwijt ben en ik ben echt dagelijks mijn kabelnaald kwijt), maar goed, hopelijk wel minder.

Ik kreeg dit tasje een tijdje geleden van mijn moeder, die het op een congres had gekregen. Leuk projecttasje! Ik maak vaak grote dingen, dus ik heb niet zoveel aan van die tasjes waar net een paar sokken in past.

Plannen

Tommi van Squirrel Pie Productions (een podcast) houdt weer een make-a-long, en dit keer mag je meedoen met alles waarvoor je de benodigdheden op een yarn festival hebt gekocht. Ik heb het garen voor mijn Varma-pullover vorig jaar op de Breidagen gekocht, dus nu heb ik een extra reden om ‘m snel af te maken (voor eind maart, geloof ik, ik weet nog niet of dat haalbaar is).

Zondag ga ik naar de Handwerkbeurs met m’n schoonzus! Eindelijk, we hebben vorig jaar moeten overslaan omdat ik toen net bevallen was van D. Ik weet nog niet precies wat ik er allemaal wil, maar ik hoop dat ik dit boek ergens kan inzien, ik ben geïnteresseerd in punch needling (totaal niet origineel, het is nogal een hype), we gaan natuurlijk uitkijken naar de usual suspects en poffertjes eten!

Zelfstandig

Toen het rapport van de commissie Borstlap over de arbeidsmarkt werd gepresenteerd, hadden wij luie profiteurs uiteraard niets beters te doen dan elkaar op Twitter te vragen waarom we ooit zelfstandige waren geworden.
A. Vanwege de belastingvoordelen
B. Vanwege de vrijheid
C. Omdat niemand mij wilde aannemen
D. Omdat mijn werk niet bestaat in loondienst

Borstlap c.s. twijfelden geen moment: A, natuurlijk. Zelf ben ik bijzonder gesteld op mijn vrijheid, maar D is het geval. Uitgeverijen publiceren boeken, en ik maak die beter door de inhoud te redigeren of me daar anderszins mee te bemoeien. Dit werk besteden uitgeverijen grotendeels uit. En dat is fantastisch werk, dat ik al bijna negen jaar met heel veel plezier doe. Mensen vertrouwen me hun werk toe, ik mag de leukste boeken als een van de eersten lezen en er dan nog invloed op uitoefenen ook. Ik ben elke dag met teksten bezig en mag werken met en voor aardige opdrachtgevers, geweldige auteurs, briljante vertalers. Ik word gewaardeerd en serieus genomen. Ik kan me nog altijd geen fijner beroep voorstellen.

Eerlijk is eerlijk, ik hoef niet koste wat kost te ondernemen. Het kan heel ingewikkeld zijn, onzeker, eenzaam. Als een uitgeverij mij in loondienst zou willen laten redigeren, zou ik dat prima vinden. Jammer van de vrijheid en flexibiliteit die ik nu heb, jammer dat ik dan vastzit aan een bepaald fonds en minder verschillende boeken kan doen, maar ik ben dan best bereid om een uitgeverij te verblijden met mijn stralende aanwezigheid. Ga ik gezellig met de schrijvers, vertalers en al die andere sympathieke voormalig zelfstandige boekenvakkers op kantoor zitten. Ik zie het al helemaal voor me.

Die creatievelingen ook altijd met hun fantasie. En hun lage tarieven. Je mag vinden wat je wilt van de tarieven waarvoor ik werk, maar ze zijn marktconform. En schandalig laag, jazeker. Ik onderhandel en ik blijf er aandacht voor vragen, ik erger me aan mensen die dat niet doen, maar dat is zo’n beetje het idee achter een markt: dat je daar niet de enige speler op bent. Ik heb geen ‘bedrijfje’, ik wil hier best rijk van worden, ik moet er wel van leven, maar als je er dan nog steeds minachtend over wilt doen en vindt dat ik geen echte ondernemer ben, zijn we snel uitgepraat. Dit is het. Take it or leave it, zoals uiteindelijk ook vaak geldt bij opdrachten in mijn vak.

De commissie Borstlap lijkt te denken dat als ze de lasten voor zelfstandigen maar genoeg verzwaren, iedereen vanzelf wel weer braaf in loondienst gaat. We zijn immers allemaal slechts zelfstandige geworden vanwege de belastingvoordelen, dus zodra ze ons die afpakken, zullen wij tot inkeer komen.

En anders is er altijd nog de verplichte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Het is toch fantastisch dat men zo is begaan met ons, tikkende tijdbommen die onaanvaardbare risico’s afwentelen op de samenleving, dat ze ons deze schitterende verzekering aanbieden? Waarom willen we dat nou niet?

Nou, bijvoorbeeld omdat op dit moment nog totaal niet duidelijk is hoe die verzekering eruit gaat zien. Ik ben een van die vele onverzekerde zelfstandigen. Ik kan het niet betalen, en ik wil het ook niet betalen. Niet omdat ik dolgraag aan de bedelstaf wil raken, maar omdat ik niet echt achter verzekeringen sta waarvoor je een torenhoge premie betaalt en die vervolgens alleen uitkeren als je zo ongeveer dood en begraven bent (en dan nog met tegenzin). Ik heb het hier niet over uitvaartverzekeringen. Maatschappijen die verzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid verkopen, beginnen met uitsluiten zodra ze ergens in de verte een chronische aandoening, psychische kwetsbaarheid of niet helemaal blanco medische voorgeschiedenis ontwaren. Als er een betaalbare collectieve verzekering komt die een acceptatieplicht heeft en daadwerkelijk dingen dekt, zul je mij hier niet meer over horen, maar eerst zien, dan geloven.

Het is natuurlijk grappig om te fantaseren over niet-bestaande kantoorbanen met geweldige secundaire arbeidsvoorwaarden, inclusief stoelmassages, gratis lunches en wat al niet meer in de baas z’n tijd, maar de realiteit is dat het er niet best voor me uitziet als deze adviezen worden omgezet in beleid. Schitterend gebruik van rijm in het tweede deel van die zin, al zeg ik het zelf, maar nu even serieus: dan zal ik moeten stoppen als zelfstandige, en misschien ook wel met het werk waar ik zo van houd. Dat maakt me onrustig, boos en verdrietig.

Al piekerend over hoe het verder moet, viel alles ineens op zijn plaats: ze schrijven in het rapport nergens dat je hetzélfde werk in loondienst moet gaan verrichten (je moet wel lezen, Nicole, ben jij nou een redacteur?).‘We zitten te spríngen om leerkrachten/aspergestekers/wijkverpleegkundigen/loodgieters/… Succes, hè!’

Had dat dan meteen gezegd. Zo eng en akelig, mensen die zelf nadenken en zelf willen beslissen. Gelukkig kan ik niet wachten om te vernemen wat ze voor mij in petto hebben.

Lees mee met S. en D. (1)

Zoals beloofd, een nieuwe rubriek over de boeken die we aan onze kinderen voorlezen. Met onze kinderen lezen. Ik weet nog niet precies hoe ik het wil gaan aanpakken, maar dat is geen reden om er niet mee te beginnen.

We lezen elke dag voor het slapengaan met S., en proberen daar sinds een tijdje ook een moment voor D. aan vast te plakken, zeker als S. een boek kiest waar D. nog niet zoveel van meekrijgt. Ik moet eerlijk toegeven, ik vind het nog best lastig om tijd te maken om D. voor te lezen. S. vraagt er vaak zelf om, ook overdag, D. uiteraard nog niet. Het is een heel andere manier van voorlezen, en D. wil meestal het liefst het boek pakken en dichtslaan. We doen ons best.

Ted van Lieshout en Philip Hopman – Boer Boris

Hoewel het momenteel wel weer meevalt met de obsessie, kan ik deze rubriek niet starten zonder over de Boer Boris-serie te schrijven, geschreven door Ted van Lieshout met illustraties van Philip Hopman. S. en wij houden veel van Boer Boris. De liefde is ooit begonnen met het eerste boek (uitgegeven als Boer Boris en als Boer Boris telt schaapjes), een telboek waarbij pas goed bleek hoeveel gebaren S. al kende. Inmiddels zijn er al vele boeken verschenen, en hebben we volgens mij alle ‘normale’ prentenboeken in ons bezit (uiteraard breiden ze het assortiment steeds uit met uitdeelboekjes, een alfabetboek, een zoek-de-verschillen-boek enzovoort), naast een memoryspel waarbij S. precies weet welk plaatje uit welk boek komt en ‘Boris en Boris’, twee vingerpoppetjes. Boer Boris woont op een boerderij met broer Berend en zusje Sam. Ze runnen nogal een eclectisch boerenbedrijf, met alle mogelijke dieren en akkerbouw, en daarnaast hebben ze ook een indrukwekkend wagenpark. De verhalen zijn origineel en grappig, de teksten heerlijk om voor te lezen (oké,’te declameren’ is inmiddels een correctere omschrijving). Niet te kinderachtig of simplistisch, eerder nog vrij ingewikkeld voor een peuter, maar dat maakt niet uit, onder meer doordat de tekeningen zo geweldig zijn. Wat ook heel leuk is: op de tekeningen duiken regelmatig andere boeken uit de serie op, of personages daaruit. En je kunt op elke pagina de muis en het vogeltje zoeken.
Ik vind het lastig om een favoriete titel te noemen, maar dan ga ik toch voor Boer Boris wil geen feest, waarin er een ware geboortegolf plaatsvindt op de boerderij en Boer Boris steeds blasé reageert. Ook de verjaardag van neef Niels kan op weinig enthousiasme rekenen. Maar dan belt de postbode aan…
Ik ben eerlijk gezegd alleen niet zo’n fan van Kerstmis met Boer Boris. Het zullen mijn jeugdtrauma’s zijn, maar ik word zo verdrietig van dat boek (wat S. dan weer razend interessant vindt).

Axel Scheffler – Kaatje Kip / Klaartje Koe

Deze kartonboeken zijn nu vooral leuk voor D., al kiest S. ze ook nog weleens. Geschreven en getekend door Axel Scheffler, bekend als illustrator van De Gruffalo (heel bekend en populair, maar daar ben ik dan weer niet speciaal fan van). De verhaaltjes zijn lief en eenvoudig, uitstekend op rijm vertaald door Bette Westera (die ongelooflijk veel kinderboeken heeft vertaald). De kuikens van Kaatje Kip (aanvankelijk nog in het ei) gaan ervandoor, Klaartje Koe kan niet slapen. Bonus bij deze boeken is de knop met het bijbehorende dierengeluid, die D. ook al weet te vinden. Bartje Big en Gijsje Geit bestaan trouwens ook nog, maar die vind ik zelf iets minder. Ik ben wel nog benieuwd naar Ik ben een lelijk beest, dat Scheffler weer samen met Julia Donaldson maakte (ook vertaald door Westera).

Guido van Genechten – Met z’n tweetjes…

De Vlaamse auteur en illustrator Guido van Genechten heeft een heleboel boeken voor jonge kinderen gepubliceerd, maar deze twee trokken onze aandacht omdat ze al heel snel leuk zijn. Het zijn kartonboeken waarin steeds twee dieren bij elkaar worden geplaatst op basis van een gemeenschappelijk kenmerk (waar ze leven, hoe ze eruitzien). Ik kon mijn ogen destijds niet geloven toen ik baby S. ineens op haar oren zag wijzen bij de pagina met de koala en de muis. We hebben Met z’n tweetjes rustig aan nu geleend uit de bieb, en D. bladert er graag in.

Ciara Flood – Een perfecte picknick
(vertaald uit het Engels door Tjibbe Veldkamp)

E. bracht dit boek mee als grote-zuscadeau voor S. Beste vrienden en buren Eekhoorn en Mol willen samen picknicken. Eekhoorn is een ware perfectionist, Mol juist een tikje gemakzuchtig. Ze kunnen maar geen goede locatie vinden voor hun picknick en ze hebben niet door dat er een scheur in Mols rugzak zit. Gelukkig schieten de andere dieren die ze tegenkomen op hun wandeling ze te hulp. Het is een leuk verhaal met terugkomende details en er is lekker veel op de tekeningen te zien waar je met je peuter over kunt praten.

Welke boeken moeten we volgens jou echt lezen?

Boeken

Zodat ook de laatste boeken van 2019 genoteerd staan.

Eva Vriend – De helpende hand

Ik heb een paar jaar geleden genoten van Het nieuwe land van deze auteur, over het ontstaan van Flevoland, en dit is haar andere boek. Volgens mij had ik er ooit al een deel van gelezen omdat mijn moeder het mee had genomen op een weekendje weg, maar ik herinnerde me er niet veel van en heb het nu dan helemaal gelezen. In vergelijking met Het nieuwe land vond ik dit een minder interessant boek. Het gaat over de geschiedenis van de gezinszorg in Nederland. Het uitgangspunt is wel mooi: de moeder van de auteur werkte vroeger als gezinshulp en hun gezin kreeg later gezinshulp omdat de moeder kanker had en daaraan overleed. De passages over de opleiding van de moeder vond ik het leukst, denk ik (ze zat intern, hè, met alles wat naar kostschool neigt wek je mijn interesse). Vriend gaat echter ook uitgebreid in op alle verschillende organisaties die gezinshulp boden (dat waren er dankzij de verzuiling heel wat) en op de financiering door de jaren heen. Daarnaast merkte ik dat ik het lastig vond om me voor te stellen dat het een tijd volstrekt normaal werd gevonden dat mensen zoveel hulp kregen als de moeder van een gezin uitviel. Het boek gaat natuurlijk ook juist over de opkomst van de verzorgingsstaat en de participatiesamenleving, je moet rekening houden met de positie van de vrouw destijds en het feit dat het huishouden meer tijd kostte, maar… laat ik zeggen dat ik blijkbaar meer gewend ben aan de participatiesamenleving dan ik van tevoren dacht.

Geert Mak – De eeuw van mijn vader

Ik moest me uiteindelijk nog haasten om dit (dikke) boek uit te krijgen voor het terug moest naar de bibliotheek, maar het is gelukt! Ik was ooit weleens gestrand in Hoe God verdween uit Jorwerd, verder had ik nog niets van Mak gelezen. Ik ben hier ook rijkelijk laat mee, want dit boek is inmiddels al twintig jaar oud. Aan de hand van de levensgeschiedenis van zijn vader en andere familieleden beschrijft Mak de geschiedenis van de twintigste eeuw. Die invalshoek betekent een hoop over het geloof (de vader was een gereformeerde dominee) en Nederlands-Indië, want daar woonde de familie lang. Ik vond dat sommige familieleden opvallend positief naar voren kwamen, maar het is natuurlijk ook nadrukkelijk de geschiedenis aan de hand van de familiegeschiedenis, geen objectievere werkwijze. Al met al vond ik het toch een fijn boek.

Helene Hanff – Charing Cross Road 84
(84 Charing Cross Road, vertaald uit het Engels door Barbara van Kooten)

Ik was niet van plan om dit boek te lezen, ik zag het staan in de bieb toen ik op zoek was naar een ander boek en nam het mee. Het is een dun boek, dat scheelt. Het zijn brieven die een Amerikaanse auteur stuurde aan een antiquarische boekhandel in Londen vanaf de jaren veertig, en brieven die de boekhandel terugstuurde. Echte brieven, voor zover ik weet. Aanvankelijk bestelt Hanff daar vooral boeken, maar later worden de brieven persoonlijker en stuurt ze voedselpakketten omdat in Engeland zo’n beetje alles nog op de bon is na de Tweede Wereldoorlog. Haar brieven worden vooral beantwoord door ene Frank, maar later gaan ook andere medewerkers haar schrijven. Ik vond het niet zo geweldig als dit misschien klinkt, en de vertaling ademde jaren tachtig (logisch, aangezien het toen vertaald is), maar het gegeven fascineerde me wel. Er blijken overigens ook een toneelstuk en een film van te zijn (ik had weer eens nergens van gehoord), dus ik ben daar zeker niet de enige in.

Twintig in twintigtwintig

Twintig dingen die ik wil doen in het nieuwe jaar. ‘Wil’ is hier van belang, want er zijn een heleboel andere dingen die ik zou moeten doen of juist niet meer zou moeten doen, maar dat vind ik nog even te deprimerend. Het helpt vast om wat leuke plannen te maken. Handwerkplannen, kookplannen, blogplannen. Daar gaan we.

+ Minimaal 1 nieuw patroon publiceren
Dit wil ik zo graag! En ik ben met een patroon ook best ver, mijn eigen Sketchbook Scarf is af, ik ben begonnen aan het patroon. Daarnaast ben ik ook alweer een ander probeersel aan het breien. Er gaat ontzettend veel tijd in zitten, maar dit moet gewoon gaan lukken. Ondertussen houd ik me vast aan wat een ervaren ontwerper zei: dat je pas vanaf tien patronen een beetje kunt gaan inschatten of het ooit iets gaat worden. In dit tempo duurt gaat dat nog wel even duren!

+ Mijn Celestarium afmaken
Ik ben al heel lang (meer dan twee jaar, zie ik nu op Ravelry) bezig aan mijn Celestarium, een gebreide sterrenhemel van het noordelijk halfrond. Het is officieel een sjaal, maar ik ga hem niet dragen, eerder ophangen. Ik vond het in ieder geval destijds zo’n geweldig patroon dat ik het móést maken, inclusief glow-in-the-dark-kralen in vier maten. En dat vind ik nog steeds, alleen werk ik er nu dus nooit aan, voornamelijk dankzij die kralen. Het is te veel gedoe om het ergens mee naartoe te nemen, ik moet het uit de buurt van de kindjes houden. Maar ik hoop dat het er dit jaar toch van komt. Ik vind het overigens nu al enorm verleidelijk om dan ook nog het zuidelijk halfrond te doen, maar alles op z’n tijd.

+ Zelf garen verven
Het lijkt me erg leuk om een keer te proberen zelf garen te verven, het liefst met iets natuurlijks. Ik weet dat je het bijvoorbeeld kunt doen met avocado, biet of rode ui.

+ Iedere maand bloggen over mijn handwerkprojecten
Ik kijk graag handwerkvlogs (Squirrel Pie Productions en de Stranded Podcast zijn momenteel mijn favorieten), maar video is niks voor mij. Het lijkt me echter wel leuk om zoiets in blogvorm te doen, dus te schrijven over wat ik af heb, waar ik mee bezig ben, wat ik heb gekocht enzovoort.

+ Bloggen over de boeken die we lezen met de kindjes
Dit was ik al langer van plan, en een bloglezer schreef ook al dat het haar leuk leek als ik zou schrijven over de boeken die we hier thuis voorlezen. Ik denk soms dat we alleen maar boeken voorlezen die iedereen toch al kent, maar het past supergoed bij mijn blog, dus ik wil hier toch iets mee gaan doen.

+ Naar de opticien gaan en een nieuwe bril uitzoeken
Oké, dit komt wel in de buurt van moeten, want ik heb deze bril al lang en mijn ogen voelen de laatste tijd ontzettend moe. Ik vind het op zich ook wel leuk om een nieuwe bril uit te zoeken, maar mijn ogen laten testen staat bij mij in hetzelfde rijtje als de tandarts en de kapper, en dan misschien nog wel onderaan, dus hm.

+ Een gesloten ecosysteem maken
Hier ben ik ook benieuwd naar. Ik baalde dan ook wel toen m’n tante en zusje dit bleken te hebben gedaan in een workshop. Ik snap wel dat ze mij niet meevroegen, want ik ga ook nooit mee als zij een kerststuk of een ander bloemstuk gaan maken bij een bloemist. Dat wil zeggen, ik ben een keer mee geweest, maar ik had toen vooral enorm veel last van faalangst omdat die bloemist voortdurend kritiek had en in mijn ogen deed alsof we stukken moesten maken die zo de winkel in konden. Dat is bij mij wel een probleem, ik hou van creatieve dingen, maar ik ben er niet per se goed in en ik hou er niet van om op mijn vingers te worden gekeken. Maar goed, dit is inmiddels alweer zo hip geworden dat je struikelt over de stappenplannen en benodigdheden, en volgens mij moet zelfs mij dit nog wel lukken.

+ Nog een keer een gemberplantje proberen te kweken
Ik heb dit vorig jaar gedaan, er verschenen twee sprietjes, maar die gingen om een of andere reden als snel slap hangen en toen gebeurde er niks meer, dus ik wil dit jaar een nieuwe poging wagen.

Ik kan niet goed koken, maar ik vind het wel leuk om dingen uit te proberen (zeker plantaardige dingen). De carrot cake met frosting die ik voor mijn verjaardag maakte, mocht er zeker zijn. Ik heb vorig jaar ook een keer geprobeerd om zelf seitan te maken, dat was ook heel interessant (maar veel werk! Ik denk niet dat ik dat snel nog een keer ga doen). Met oud en nieuw heb ik voor het eerst dulce de leche gemaakt, en daarna samen met S. dit lekkere toetje (karamel-zeezout leek me passend voor het afgelopen decennium). Dat soort dingen dus.

+ Jackfruit
Jackfruit is qua voedingsstoffen geen geschikte vleesvervanger, maar wel qua structuur. Je schijnt er bijvoorbeeld pulled pork mee te kunnen imiteren.
+ Brownies met zwarte bonen
Schijnt ook te kunnen, zonder dat ze naar bonen smaken. Gezonder, vegan, glutenvrij, niet per se eisen die ik aan brownies stel, maar ik wil dit wel een keer uitproberen.
+ Foeyonghai
Mijn favoriet van de afhaalchinees, kijken in hoeverre ik er bij in de buurt kan komen. Totaal niet gezond (want bomvol suiker), maar zo lekker! Onder dit recept hebben meerdere mensen geschreven dat het net zo smaakt als die van de chinees, dus dit is een kanshebber. Ik ga dan overigens wel voor een vegetarische variant.
+ Lemoncurd
S. en J. hadden een heerlijke lemoncurd gemaakt met kerst en nu wil ik dat ook een keer proberen.

+ Opbouwen tot minimaal 5 km hardlopen
Ik was daar dit najaar mee begonnen, nadat dat weer mocht van de bekkenfysio, maar toen werd ik ineens zo duizelig en moe en down en werd het winter en meh. Dit jaar een nieuwe poging.

+ Mondharmonica leren spelen
Dit komt ook voort uit de kerstdagen, S. had haar instrumenten meegenomen en M. bleek ineens blokfluit te kunnen spelen. Zij waren verbaasd dat ik het niet kon, ik was verbaasd dat zij het zo vanzelfsprekend vonden om het te kunnen. Oké, het geldt niet als een moeilijk instrument, maar als je het nog nooit hebt gedaan, fluit je echt niet in een keer het boek met kerstliedjes mee. Ik niet, in ieder geval. Ik vind blokfluit ook tof (vooral de grotere blokfluiten dan, die minder schel zijn), maar we hebben hier ook nog een mondharmonica liggen waar ik niks mee kan. Of misschien dat ik toch voor blokfluit ga. Of mijn gitaar weer afstof. In ieder geval lijkt het me leuk om weer eens iets met muziek te doen.

+ Meedoen aan een projectkoor
Zangles, bij een koor zijn, ik vind het allemaal maar ingewikkeld. Het is me de stress die het me oplevert niet altijd waard. Maar ik houd veel van zingen en ik denk dat een afgebakend project op dit moment het beste bij me past. Ik heb ook al zo’n project gevonden (voor komend najaar): The Armed Man. Ik moet me eigenlijk gewoon vast inschrijven.

+ Minder op social media zitten lurken
Het is gewoon niet goed voor me, want het maakt me onrustig.

+ Dozen met boeken uitpakken en uitzoeken
Er staan hier op zolder nog altijd twee dozen met boeken die we grotendeels niet hebben uitgepakt. Blijkbaar missen we ze dus ook niet al te erg, maar het zou fijn zijn als ze er niet meer staan.

Een tafel en stoeltjes aanschaffen voor de kinderen
Zodat ze een eigen hoekje hebben om te tekenen en knutselen. Dat moet mogelijk zijn, zeker als we de box opruimen (ik verwacht dat we dat ergens dit jaar wel gaan doen), we hebben het alleen nog niet geregeld, onder andere omdat ik zo ongeveer alles lelijk vind.

+ Weer eens aan een schrijfwedstrijd meedoen
Ik schrijf momenteel heel, heel weinig vanwege een gebrek aan ruimte in mijn hoofd en een schrijfwedstrijd kan ervoor zorgen dat ik in ieder geval tot iets kom, want dan heb ik een deadline en vaak ook een thema.

+ EHBO voor baby’s en kinderen volgen
Ik heb al bijna geen baby meer in huis, dus ik ben hier rijkelijk laat mee, maar dit wil ik nog steeds doen. Afgelopen jaar hebben we wel een workshop gevolgd via de crèche, maar ik wil nog iets substantiëlers. Dit vind ik trouwens ook niet per se superleuk om te doen, want ik denk liever zo min mogelijk aan wat er allemaal kan gebeuren, kan niet tegen bloed en faalangst ligt ook hier weer op de loer, maar daarom juist: ik weet dat ik de neiging heb om te bevriezen in geval van nood, de kans daarop wordt alleen maar groter als ik niet weet wat ik moet doen. Ik heb overigens ook al iets uitgezocht (online, gevolgd door een dagdeel praktijk), dus ook dit moet ik gewoon gaan regelen.

2019

Ik ga uiteindelijk altijd door. Dit jaar ook weer vaak met de nadruk op uiteindelijk.

Dit jaar, waarin D. werd geboren, waarin ik per ongeluk thuis beviel zonder verloskundige erbij. ‘Kind aangepakt door: ondeskundige’ had de verloskundige ingevuld bij gebrek aan betere optie, maar dat was nu juist een van de weinige momenten waarop ik me niet ondeskundig voelde. De paniek was in een keer weg en de rest van de wereld bestond even niet. De kraamtijd was totaal anders dan ik me had voorgesteld, en in veel opzichten beter. Het verdriet over de kraamtijd bij S., het schuldgevoel naar haar toe werd (en wordt) er niet minder om, ik had veel pijn door de naweeën en zo’n bevalling is niet alleen maar ‘lekker snel en makkelijk’, zoals ik van sommige mensen te horen kreeg. Maar mede dankzij onze lieve kraamverzorgster L. hebben we best een fijne eerste week gehad.

Dit jaar, waarin ik me weer zo vaak alleen voelde, met mijn lichaam als wegwerpverpakking. Ik heb zoveel zelf moeten uitzoeken, moeten gokken, zoveel waardeloze adviezen gekregen. Zoveel betweters en onnozelaars. Er is gewoon geen geschikte hulp. De meeste mensen hebben geen idee, en ook niet bijster veel interesse. Het heeft me nog cynischer gemaakt dan ik al was. Zoals je ziet.

Dit jaar, waarin ik in de tweede helft fijn heb gewerkt, maar me ook eindeloos heb afgevraagd of het genoeg zal zijn. Of ik na volgend jaar nog als zelfstandige verder kan. Of ik dat moet willen. Zoveel minachting. Terwijl dit is wat ik wil en kan. Dit jaar, waarin ik mijn eerste breipatroon publiceerde, ontdekte dat ik daar enorm gelukkig van word. Waarin ik allemaal leuke andere zelfstandigen ontmoette door ondanks mijn introversie mee te doen aan een kerstpakkettenuitwisseling.

Dit jaar, waarin de nachten beroerder waren dan ooit en de dagen drukker. Mensen wakker houden is niet voor niets een martelmethode. Ik praat er niet graag over, want me verdedigen tegenover iedereen die er iets van vindt kost alleen maar energie die ik niet heb. Ik ben nog nooit zoveel vergeten en zo vaak te laat gekomen.

Dit jaar, waarin ik regelmatig tegen de muren opvloog én zo graag thuis was. Waarin we toch meer ondernamen dan ik van tevoren dacht, vooral dankzij de draagzak en de bus. Waarin ik ondanks mijn rijangst toch ben blijven rijden, maar mezelf soms ook toestond om het niet te doen. Waarin we uiteindelijk toch nog een fantastische dag hadden in de Efteling. Waarin we een midweek op vakantie gingen, met een zieke baby en een peuter die het zwembad haast niet uit te krijgen was. Waarin we Fun Home zagen in Amsterdam.

Dit jaar, waarin het helaas nog niet lukte om S. zindelijk te krijgen, maar waarin ze wel vanaf haar verjaardag in een keer zonder speen sliep. Mijn lieve, slimme, eigenwijze S. En mijn lieve, vrolijke D., die momenteel zo eenkennig is, maar soms ook zo enthousiast contact probeert te maken. En mijn lieve M., die ondanks alles nog steeds bij mij wil zijn.

Dit jaar, waarvan we samen het einde gaan halen, zoals het er nu naar uitziet.

(En nu moet ik stoppen, want S. wil ‘heel, heel graag’ een oliebol.)

De laatste tijd

Warrigste post in lange tijd, maar dichter in de buurt van een dagboekpost ga ik even niet komen.

Na negen maanden is de rek er wel een beetje uit. Daar komt het op neer. Zeker nu iedereen vrijwel continu verkouden/ziek is. En D. tanden krijgt. Of misschien is dat het niet, maar feit is dat ze deze week ook weer meerdere avonden aan het krijsen was, waardoor we nauwelijks een avond hadden (ik moet echt in ieder geval mijn avonden hebben). Voorlopig dieptepunt was de avond/nacht na de verjaardag van S., eindeloos beneden met haar op de arm rondjes gelopen (ook best zwaar inmiddels), als de dood dat S. wakker zou worden en mee zou gaan doen (gebeurde godzijdank niet). We hebben ons ook afgevraagd of ze misschien overprikkeld was van de verjaardag, maar de verjaardag was echt rustig omdat vrijwel iedereen moest werken (in dat geval hebben we binnenkort een nog groter probleem).

Ik heb er inmiddels allerlei klachten bij gekregen. Duizelig, hoofdpijn, tintelingen, zere ledematen en heb me uiteraard alweer van alles in m’n hoofd gehaald. Afspraak gemaakt bij de huisarts, die zich weer lekker horkerig gedroeg door tijdens de afspraak de telefoon op te nemen, uit de kamer te verdwijnen en toen hij terugkwam alleen maar zei: ‘Ja, zo loopt je spreekuur wel uit.’ En hij reageerde vooral verbaasd op het feit dat D. niet doorslaapt, dat was ook niet bepaald behulpzaam, wat wil je dat ik eraan doe? We willen eigenlijk een andere zoeken, maar alles lijkt nu even te veel moeite. Daarop heb ik bloed laten prikken, maar daar kwam eigenlijk niets uit dat de klachten kon verklaren, al slik ik nu maar weer eens extra vitamine D. Ik had mijn erfelijk verhoogde cholesterol laten meeprikken omdat het daar wel weer eens tijd voor was (als je zwanger bent mag je toch geen medicijnen, dus heeft het ook geen zin om het dan te prikken), maar er zal wel iets ontbreken in mijn dossier of zo.
Huisarts: Ja, en je cholesterol is te hoog.
Ik: Ja, ik heb FH.
Huisarts: Nou, zó hoog is het nu ook weer niet, dat we aan FH gaan denken.
Ik: Eh, ik heb het toch echt.
Huisarts: Dan is het meestal echt wel hoger, hoor. Maar goed, als u het zeker weet…
De ratio tussen de verschillende soorten cholesterol is bij mij blijkbaar nog steeds heel goed, dus er hoeft nu niks, volgend jaar weer prikken. Scheelt toch weer iets van mijn ongerustheid over hartklachten. Ik ben normaal al een hypochonder, maar nu ik zo moe ben vind ik het helemaal lastig om dingen te relativeren. Superhandig, om lekker veel tijd die je wél zou kunnen besteden aan slapen te besteden aan piekeren. En ja, dat gaat bij mij vaak razendsnel over de angst om M. en de meiden te moeten achterlaten, zeker nu ik steeds dichter bij de leeftijd kom die mijn vader heeft bereikt.

Het werk is mede hierdoor ook even niet zo geweldig. De opdrachten zijn er wel, maar ik loop weer veel achter de feiten aan. Soms lijkt het alsof ik nooit eens gewoon kan werken, en als dat dan in principe een keer wel kan, zit ik mijn tijd te verspillen omdat ik daarbuiten te weinig tijd voor mezelf heb. En ook hier is relativeren lastig. Helemaal overstuur omdat er vriendelijk werd gevraagd of het misschien zo kon zijn dat ik een klein dingetje vergeten was, wat ook zo was. Dat kaartje in dat ene boek waaruit in mijn ogen onterecht zoveel vertrouwen sprak. De aardige mailtjes. In mijn hoofd ben ik alles al tig keer kwijtgeraakt. Het is moeilijk om die onzekerheid opzij te zetten tijdens het werk, om mijn punt te maken, aan de verwachtingen te voldoen. De politieke plannen helpen ook niet bepaald mee. Verplicht verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid, inperking zelfstandigheidsaftrek, het minimumtarief… En de minachting die uit al die plannen spreekt, zelfstandigen zijn lastig en moeten kapot, dat lees ik er inmiddels echt in. Gecombineerd met een hoop onnozelheid. In ieder geval lijken ze geen idee te hebben van de situatie in het boekenvak. Hoe bereken je het uurtarief van een auteur die een paar jaar aan een boek werkt? Wanneer bepaal je of een auteur het minimumuurtarief heeft gehaald? En dus of hij/zij een boete opgelegd krijgt? Want ja, dat is een van de leuke plannetjes: niet de gierige opdrachtgever krijgt een boete van meer dan 4000 euro, maar de zelfstandige. Zelf werk ik ook nooit met een uurtarief, maar als ik het goed heb begrepen, kan ik straks beboet worden als een auteur of vertaler slecht werk levert, ik daardoor veel meer tijd kwijt ben aan de redactie, daarmee onder het minimumuurtarief kom en de uitgeverij weigert bij te betalen.
Het voorgestelde uurtarief (16 euro) is veel te laag voor wat we er allemaal mee zouden moeten kunnen doen, zeker omdat de kosten en de administratieve lasten tegelijkertijd veel hoger worden. Het is bizar dat dat voor alle zelfstandigen hetzelfde zou moeten zijn. Bovendien wordt het in de praktijk natuurlijk een maximumtarief, dat zie je nu ook al bij het tarief voor literaire vertalingen. Ik heb de laatste tijd veel bijgeleerd over het vertaalvak, dat raakt aan het mijne. Nu krijgen vertalers er jaarlijks zogenaamd twee ton bij. Uit het bestaande budget van het Letterenfonds, is het idee. Het Letterenfonds, dat sowieso alleen over literaire vertalingen gaat. De meeste vertalingen worden niet gezien als literair. Daarvoor geldt het minimumtarief niet. Daarvoor kunnen vertalers geen subsidie aanvragen bij het Letterenfonds. Daarbij krijgen ze meestal geen royalty’s. Maar hoera, twee ton voor de vertalers.
De minachting vind ik een van de moeilijkste dingen. Al dat gezeik over dat ik gewoon beter moet onderhandelen en dat ik anders geen echte ondernemer ben. Kom het maar eens een paar jaartjes proberen, praten we daarna verder. En daarbij, wat ik doe, bestaat simpelweg niet in loondienst. De functie redacteur bestaat wel bij uitgeverijen, maar dan ben je voornamelijk bezig met redactieklussen uitbesteden aan mensen zoals ik ervoor zorgen dat de boeken er komen. Ik concurreer dus ook niet met werknemers.
We gaan het zien volgend jaar. Ik ga in ieder geval nog wel reageren op de internetconsultatie. En verder probeer ik toch maar zo goed mogelijk door te werken.

Nu nog even een lijstje willekeurige fijne dingen om mee af te sluiten:
– S. slaapt zonder speen. We zijn supertrots op haar. We waren helemaal niet van plan om hem op haar derde verjaardag onmiddellijk af te pakken, dat leek ons wel erg streng, maar voor haar was het zo logisch dat als iemand zei: ‘Hé S., morgen ben je jarig, hè?’ ze antwoordde: ‘Ja, ik mag nog een nachtje met mijn speen.’ Ik vond het echt heel zielig toen ik dat hoorde, maar het gaat tot nu toe wonderbaarlijk goed (ik had ook echt niet geweten hoe we het hadden moeten overleven als we hierdoor nog slechter zouden slapen). Ze heeft hem zogenaamd weggegeven aan de ongeboren baby van M.’s collega. Ze vraagt er nog wel steeds naar, maar doet er niet hysterisch over. En ze mag het ook jammer vinden, het is ook wennen, benadrukken we steeds.
– Het ziet ernaar uit dat de sjaal voor mijn tweede patroon ein-de-lijk af gaat komen. Ik wil nog steeds heel graag meer patronen publiceren.
– Ik doe mee aan een kerstpakkettenuitwisseling voor zelfstandigen. Ik weet nog niet voor wie ik een pakket mag maken, maar alleen de mailtjes die ik erover krijg zijn al fantastisch en ik heb met veel plezier een vragenlijst ingevuld.
– Veel babynieuws en bruiloftsnieuws in mijn omgeving.
– Voor het eerst in heel veel jaar een plak cake versierd.
– S. heeft erg genoten van het trakteren op de crèche (bananen met rokjes, heel verantwoord).
– D. heeft het meestal prima naar haar zin op de crèche.
– Het boek dat ik morgen in moet leveren is praktisch af.
– Elk moment dat D. wel vrolijk is. Zoals toen ze dolenthousiast reageerde op een foto van Y.
– Cadeautjes verzinnen.
– Me verheugen op de kerstvakantie.

Boeken

Ik heb van meerdere mensen gehoord dat ze mijn dagboekjes graag lezen. Helaas, jongens, komt er eindelijk weer iets online, is het zo’n saaie boekenblog. Hopelijk binnenkort meer.

Lieve Joris –Terug naar Neerpelt

Ik lees niet zo graag reisverhalen, dus ik kende het werk van Lieve Joris eigenlijk helemaal niet. Haar naam wel, ik weet nog dat ik die zo vreemd vond vroeger. Die naam als een aanhef, en dat ik door Joris nooit kon onthouden of het een man of een vrouw was. Vorig jaar las ik dit interview met haar in Volkskrant Magazine, en toen werd ik toch wel heel benieuwd naar dit boek. Al was het alleen maar omdat ik over Vlaanderen wél heel graag lees.
Dit boek gaat over haar eigen familie en ik vind het erg goed (dit is weer niet bepaald een geheime tip van een kenner, het is bijvoorbeeld ook genomineerd voor de BookSpot Literatuurprijs). Joris groeide op in een grote Vlaamse katholieke familie, met acht broers en zussen. De familie heeft vooral veel te lijden gehad onder haar oudste broer Fonny, die aan de drugs verslaafd raakte en iedereen terroriseerde en manipuleerde, maar het boek gaat ook over andere familieleden (bijvoorbeeld over haar bomma, met wie Joris een speciale band had). Ik heb een paar keer gefrustreerd geroepen dat er een stamboom voor in het boek had moeten staan, maar dat is zo’n beetje mijn enige klacht. Het is prachtig geschreven en ik begreep het gewoon allemaal zo goed. Waarom ze zo graag weg wilde uit dat dorp en later zo weinig kwam, waarom ze zich nog steeds schuldig voelt over bepaalde dingen, hoe moeilijk de relatie van haar ouders was met elkaar en zo’n beetje alle kinderen. Het is ook een heel eerlijk boek, ze spaart zichzelf niet, en ik vind het heel knap dat ze duidelijk weet te maken waarom er ondanks alles toch ook een bepaalde aantrekkingskracht uitging van Fonny, hoe hij dan telkens toch weer van alles voor elkaar wist te krijgen. Het heeft (logischerwijs) erg lang geduurd voor ze dit verhaal vertelde, maar wat is het de moeite waard.

Benjamin Ludwig – Ginny Moon heeft gelijk
(Ginny Moon, vertaald uit het Engels door Mieke Trouw)

Volgens mij zat er ooit een keer een voorpublicatie van dit boek in een of andere goodiebag en kwam het zo op mijn leeslijst terecht. Ik verwachtte er eerlijk gezegd niet zoveel van, maar ik leende het uit de bieb, begon erin en kon het niet meer wegleggen. Ik heb het binnen 24 uur uitgelezen, en dat is tegenwoordig echt uitzonderlijk voor mij. Een compliment aan de vertaler is ook zeker op z’n plaats.
Ginny is een meisje van veertien jaar met autisme. Ze zit inmiddels in haar derde pleeggezin. Daar gaat het eigenlijk vrij goed met haar. Zoals zoveel dingen ziet Ginny dit echter totaal anders. Zij zet alles op alles om in contact te komen met haar biologische moeder, hoe onveilig dat ook voor haar is, omdat ze iets heel belangrijks uit moet zoeken. Ondertussen zal er ook veel veranderen in haar pleeggezin, omdat haar pleegmoeder in verwachting is.
Boeken over mensen met autisme zijn inmiddels zowat een apart genre, denk bijvoorbeeld aan Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht van Mark Haddon en de Rosie-boeken van Graeme Simsion. Ik vind het bij zulk soort boeken altijd moeilijk om geraakt te worden door de hoofdpersoon, ze blijven vaak wat op afstand en gedragen zich niet per se sympathiek. Dat was in dit boek niet anders. Maar ik werd gegrepen door het verrassende verhaal en ik geloofde het, hoe onwaarschijnlijk ook. Daarnaast was ik ook erg onder de indruk van hoe er informatie bij de lezer komt via het perspectief van Ginny. In dit soort boeken is het natuurlijk al snel dat je als lezer bepaalde dingen anders bekijkt dan de hoofdpersoon, maar neem Ginny’s pleegouders. Ginny vindt die voornamelijk irritant, want ze dwarsbomen haar pogingen om met haar biologische moeder in contact te komen. Maar ook al is het verhaal vanuit Ginny geschreven en ziet zij het probleem niet, toch krijg je op de een of andere manier mee hoe Ginny hen tot wanhoop drijft met haar gedrag.
De auteur heeft blijkbaar samen met zijn vrouw vroeger ook een tiener met autisme opgevangen, dus misschien dat hij daarom zo goed weet neer te zetten wat de pleegouders doormaken, maar doe het maar eens. In je eerste boek.

Trudy Coenen en Louise Koopman – Spijbelen doe je maar thuis

Ik zou het waarschijnlijk nog geen dag uithouden voor de klas, dus respect voor iedereen die dat wel lukt. Dat vooropgesteld. Ik lees wel graag over onderwijs, vandaar dat dit boek op de leeslijst terecht was gekomen. Trudy Coenen werkt al ontzettend lang als lerares Nederlands op een zwart vmbo in Amsterdam en vertelt in dit boek wat ze zoal meemaakt in haar werk. Of eigenlijk vertelt Louise Koopman dat, maar dat is niet op te maken uit het omslag (op de titelpagina staat haar naam wel). Je begrijpt, bij zo’n constructie is de nieuwsgierigheid van deze redacteur onmiddellijk gewekt. Het komt er volgens mij op neer dat Koopman een boek heeft geschreven op basis van wat Coenen haar heeft verteld. Het nawoord vond ik veelzeggend. Daarin las ik dat sommige meelezers vonden dat Coenen naar voren kwam als iemand die wel érg vol was van zichzelf (of iets dergelijks, het boek is inmiddels al terug naar de bieb). Of dat niet wat minder kon. Ik deelde die mening. Coenen vond niet dat het anders moest, zo blijkt uit het nawoord. En dat past dan weer precies bij hoe ze in het boek naar voren komt. Het is zonder meer indrukwekkend wat ze allemaal meemaakt met haar leerlingen en voor elkaar krijgt, dat moet ik benadrukken, dat maakt het boek toch heel interessant om te lezen. Ze kwam alleen niet zo sympathiek op mij over, ze wil wel erg graag vertellen welke bekende Nederlanders ze allemaal heeft ontmoet (en ingeschakeld), vooral dankzij het feit dat ze Docent van het Jaar is geweest. Als je dit boek bijvoorbeeld vergelijkt met de columns die Marjan van den Berg ooit schreef voor Margriet (ook zij gaf Nederlands op een vmbo), dan vond ik die columns toch wel een stuk leuker, en dat komt vooral doordat Van den Berg met veel meer humor en de nodige zelfspot schrijft.

Emily St. John Mandel – Station Elf
(Station Eleven, vertaald uit het Engels door Astrid Huisman)

Er breekt een afschuwelijke pandemie uit en het grootste deel van de wereldbevolking sterft. Oké, hou maar op, dit is geen boek voor mij. Dat zou ik normaal gesproken zeggen. Maar ik had over dit boek gelezen in Volkskrant Magazine en dat sprak me aan. Niet per se dat het grootste deel van de wereldbevolking sterft, maar wel dat er dan een toneelgezelschap is dat langs de nederzettingen van overlevenden trekt. Eigenlijk is het ook een orkest, ze voeren stukken van Shakespeare op en maken muziek. O, dit vond ik zo’n goed boek. Alles past zo prachtig in elkaar, de verschillende personages, het leven voor en na de ramp, het is zo goed uitgedacht en mooi beschreven (ik ken het origineel niet, maar de vertaling moet wel erg goed zijn, anders zou het nooit zo fijn lezen). En de sfeer, de wereld ziet er na die pandemie natuurlijk onvoorstelbaar anders uit dan nu (alleen al dat er geen elektriciteit meer is, geen moderne communicatiemiddelen meer bestaan), maar het is zo makkelijk om er helemaal in mee te gaan. Het verhaal draait voor een deel om de mensen die stranden op een vliegveld als de griep net uitbreekt en hoe zij daar vervolgens een bestaan opbouwen, dat was denk ik mijn favoriete passage. Ik ben erg onder de indruk, dat mag duidelijk zijn. En de gruwelijkheid viel trouwens wel mee. Natuurlijk is het gegeven ontzettend gruwelijk, maar ze beschrijft niet heel gedetailleerd hoe iedereen crepeert of zo, waardoor het nog wel te hebben was voor mij. En er zijn ook genoeg stukken die zich afspelen voor de pandemie, voor als het je allemaal te veel aanvliegt. Dit soort verhalen zorgen er wel altijd een beetje voor dat ik… echt preppen wil ik het niet noemen, maar ik denk dan wel meer na over wat handig zou zijn om in huis te hebben. Ik richt me dan trouwens voornamelijk op de iets kleinere rampen en het idee van de overheid dat je je dan een paar dagen moet kunnen redden (terwijl zij alles zo’n beetje oplossen, het is beter voor mijn gemoedsrust om daarop te vertrouwen). Dat een boek dat kan veroorzaken, dat alleen al. Wat ik wel echt heel irritant vind: hoe vaak het voorkomt dat ik een boek van een auteur heel goed vind, meer van die persoon wil lezen en dan blijkt dat het volgende boek een horrorboek is of gaat worden. Sarah Waters, Audrey Niffenegger, Emily St. John Mandel dus, stop daar eens mee. Alvast bedankt.

Mette Eike Neerlin – Paard, paard, tijger, tijger
(Hest, hest, tiger, tiger, vertaald uit het Deens door Bernadette Custers)

En toen lag dit boek nog klaar. Ik was alweer een beetje uit m’n leesflow, maar dit boek leek een stuk dikker dan het is – grote letters, korte hoofdstukken, in een uurtje had ik het al uit. Het is een leuk verhaal, over een meisje, Honey, dat in vreemde situaties terechtkomt omdat ze zo’n beetje overal ja op zegt. Leuke details, interessante personages, onder wie Honeys zus Mikala, die een verstandelijke beperking heeft en wc-bordjes schildert op een sociale werkplaats. Honey komt per ongeluk op bezoek bij een terminaal zieke man in een hospice, waardoor ze natuurlijk tot diepe inzichten komt over het leven. In die zin vond ik het wel echt een jeugdboek. Ik spreek helaas geen Deens, maar de vertaling leek me goed, afgezien van bepaalde uitdrukkingen die ik niet zo geloofwaardig vond uit de mond van Honey (zoals ‘door de bank genomen’). En ik vond het opmerkelijk dat ervoor is gekozen om vwo te gebruiken, terwijl het verhaal zich overduidelijk in Denemarken afspeelt.