Toetsvragen

toetsvragen GiO

Een paar weken geleden heb ik voor Pearson vele meerkeuzevragen over ‘gedrag in organisaties’ beoordeeld en bedacht. Studenten kunnen die straks online maken om te kijken of ze de stof beheersen. En bij alle goede en foute antwoorden moest feedback komen, met verwijzingen naar paragrafen in het boek. Daarvoor had ik het boek ook al geredigeerd, dus ik denk dat ik inmiddels een voldoende zou halen voor het tentamen!

Ik vond het oprecht leuk, weer eens wat anders dan redigeren. Welke antwoorden lijken genoeg op elkaar, wat voor verhaaltje kan ik hierbij verzinnen, hoe leg ik dit het duidelijkst uit?

Op een gegeven moment viel ik wel ten prooi aan wat-zal-ik-nu-nog-eens-vragen-meligheid. Enkele vragen die het uiteindelijk (nét :)) niet gehaald hebben:
1. Volgens Edgar Schein zou je cultuur kunnen zien als een bepaald soort groente. Welke?
2. Hoe heten de kleinkinderen van Henry Mintzberg?
3. Wat was Phineas Gage aan het doen toen er een ijzeren staaf door zijn linkeronderkaak vloog?

Boekenleggers

boekenleggers2

Ik ben blij met mijn e-reader, maar ik lees toch ook nog veel van papier. Ezelsoren zijn natuurlijk geen optie. Vandaag een greep uit mijn verzameling boekenleggers.

1 Harry Potter-merchandise! Ik denk van toen The Tales of Beedle the Bard uitkwam, want dat boek staat achterop. Het is dus een kassabon van Klieder & Vlek, de boekhandel op de Wegisweg waar de personages altijd hun schoolboeken kopen.

2 Dit was zo leuk, vorig jaar op Manuscripta had de Antwerpse Boekenbeurs een stand met een fotohokje, waar je een boekenlegger kon laten maken. M. en ik (oké, vooral ik :)) wilden dat natuurlijk.

3 Anton Pieck. Hoe dan ook tof, want hij heeft de Efteling ontworpen.

4 Boekenlegger van papyrus (tuurlijk), cadeautje uit Egypte.

5 Is deze al geld waard? Boekenlegger van het tijdschrift esta, inmiddels ter ziele.

6 Deze dan? Ouderwetse strippenkaart. Je ziet dat ik destijds nog niet klaar was voor de invoering van de ov-chipkaart :(

7 Ah, Maaike Bakker. Nee, je kent haar waarschijnlijk niet, maar ze mag niet ontbreken in deze verzameling. Maaike maakt quilts. S. en ik hebben niets met quilten, maar een paar jaar geleden waren we op de Handwerkbeurs, en toen werden we door Maaikes man zo ongeveer gedwongen om een boekenlegger met Maaikes hoofd erop mee naar huis te nemen. Dat hebben we toen maar gedaan, en zo af en toe liet ik het hoofd van Maaike eens uit een boek steken. Dit jaar gingen we weer naar de Handwerkbeurs en wie zagen we daar? Maaike en haar man, met nieuwe boekenleggers! Ik ben benieuwd hoe groot deze subverzameling nog gaat worden.

8 Zipmark, oftewel een boekenlegger in de vorm van een ritssluiting. Kerstcadeautje van opdrachtgever Harlequin, waar ik heel blij mee ben (van dat krenterige Verhalenloket hoef je nooit veel te verwachten op dat vlak!). In gebruik ziet dat er dan zo uit:

DIGITAL IMAGE

Een echte blogger vraagt haar gewaardeerde lezers (jullie alle drie) natuurlijk aan het eind wat zíj gebruiken om te onthouden waar ze gebleven zijn in een boek. Nou?

Heerlijk duurt het langst

Een blogje dat ik al een tijdje wilde schrijven, want we zijn 1 maart al naar deze voorstelling geweest in de Flint.

Heerlijk duurt het langst is de eerste musical van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink. Vijftig jaar geleden voor het eerst in première gegaan. En dat merk je. De teksten, de opzet, een bepaalde traagheid. Het publiek. Al had ik nu niet het idee dat we de allerjongsten in de zaal waren (mijn zusje was er ook ;)). Kennelijk hebben we nogal een oubollige smaak, vorig jaar ook al een keer tussen de bejaarden gezeten. De stemmen van de acteurs die uit de ringleiding schalden van mensen die alsnog riepen dat ze er niks van verstonden. De vrijwilligers die de bejaarden begeleidden en die nog harder schreeuwden om zich verstaanbaar te maken. De homofobe grapjes die de bejaarden zo leuk vonden (die verstonden ze blijkbaar wel). Dit leek me typisch zo’n voorstelling waarbij Vier het Leven ook weer present zou zijn, dus ik hield mijn hart vast.

Maar ja, als Annie M.G.-fans mochten we dit natuurlijk niet missen. De bejaarden waren er inderdaad, maar eigenlijk hadden we meer last van de jongere mensen achter ons. Onder de voorstelling praten alsof er geen voorstelling bezig is, dat zal ik wel nooit begrijpen. Gelukkig overstemt bij musical de muziek vaak een hoop.

Goed, de musical is hier en daar dus wel wat gedateerd, maar is dat erg? Neu. Eerder logisch en het heeft op mij ook wel een bepaalde aantrekkingskracht. Het is een van de redenen waarom ik zo van de Familie Doorsnee hou. En verder is het vooral heel erg Annie M.G. Schmidt. De humor, het sarcasme. De mooie liedjes (klassiekers als ‘Op een mooie pinksterdag’, ‘Kom, Kees’ en ‘Zeur niet’ komen uit deze musical).

Af en toe vond ik wel dat Annie zich er makkelijk van afgemaakt had. Dat idee heb ik vaker. Zeker bij de Familie Doorsnee, dat in losse afleveringen werd uitgezonden. Dat er nog even snel iets opgevuld moest worden (tomatensap, tomatensap, tomatensap) toen de deadline eigenlijk al verstreken was. Misschien is het verbeelding. Het is wel bekend dat Schmidt altijd erg tegen deadlines aan werkte. En dat ze altijd veel te veel werk aannam, ‘omdat ze altijd bang was dat men op een dag helemaal geen beroep meer op haar zou doen’ (bron). Klinkt bekend…

Maar soms is het ook zo goed en zo grappig. ‘Zeur niet’ was een favoriet (en een goede in-de-oren-knoper), maar de keuze was moeilijk. De cast was prima, goede stemmen en veel energie en enthousiasme. En tot grote vreugde van M. had Lone van Roosendaal iets aan haar Gooische r gedaan (zelf hoorrrrr ik dat nooit zo bij mensen). Extra fijn als een van je grote solonummers ‘Zeur niet’ heet.

Gesprek

Het einde van mijn vorige blog was nu eens niet als cliffhanger bedoeld. Mijn redacteur bestond echt, onze afspraak ging door en ze zei niet dat het helaas toch niks kon worden. Het werd alleen wel erg lang voor een blog, vandaar de knip.

Ik vond het heel fijn om met iemand met kennis van zaken over mijn teksten te praten. Niet dat ik normaal gesproken nooit iemand met kennis van zaken tegenkom en stuurloos ronddobber, dat niet. Er is eigenlijk altijd wel iemand in de buurt die er even naar kan kijken. Dat is een groot goed, dat weet ik, dat zie ik aan de schrijvers die ik voor mijn werk mag begeleiden. Maar ik maak er toch niet zo vaak gebruik van. Omdat die mensen volgens mij wel wat beters te doen hebben. En ja, toch ook wel omdat het niet leuk is om kritiek te krijgen als je ein-de-lijk weer eens iets geschreven hebt. Maar nu ‘mag’ het. Of eigenlijk moet het. Nu leidt het ergens toe.

Als auteur ben ik best lastig, denk ik. Niet omdat ik mensen uitscheld per telefoon. Ook niet omdat ik grammaticafouten weiger te verbeteren met het argument: ‘Dat is mijn persoonlijke stijl.’ Dat soort dingen, meegemaakt als redacteur, maken me misschien juist een makkelijkere auteur. Maar ik kijk natuurlijk wel kritisch naar wat iemand doet. Ik vind natuurlijk wel óveral iets van. Ik neem natuurlijk niet zomaar iets aan.

Ondanks het feit dat mijn redacteur bij mij aan tafel zit, zit ik nog steeds een beetje in mijn ‘O, maar gaat het door dan?’-fase. Dat moet echt heel irritant zijn (ik vind het zelf in ieder geval heel irritant), maar mijn redacteur kan er wel om lachen en vraagt of ze me even zal knijpen. Ze vertelt dat ze helemaal niet getwijfeld heeft over mijn werk, ze verwachtte eigenlijk ook dat ik verder nog nooit iets naar een uitgever gestuurd had. Dat is helaas niet bepaald waar, maar dat doet er nu even niet toe. Nu is nu, en nu is er iemand die niet twijfelt.

Ik heb een keer een discussie gehad met iemand die vond dat ik nooit mocht zeggen over schrijfgerelateerde dingen dat het gezellig was, want dat zou niet professioneel staan. Dat vind ik nog steeds zo’n onzin. Gezelligheid (enthousiasme, humor) maakt het werk gewoon veel leuker, voor iedereen. Niet dat je het moet gaan lopen faken (dan werkt het juist weer niet, denk ik), maar mensen nemen gewoon eerder dingen aan van een aardig, positief iemand. Ik vond het heel gezellig.

Er zijn zeker dingen die ik van mijn redacteur aanneem. Ik heb het idee (en dat is een heel fijn idee) dat ze ziet wat ik met mijn gedichten wil. Ze gelooft erin en ze is scherp. Ze wijst een paar gedichten aan die ze minder sterk vindt en weet ook goed uit te leggen waarom. Die gedichten heb ik inmiddels stuk voor stuk geschrapt. En ze weet me te behoeden voor een paar van mijn diepste valkuilen. Ik wil soms té leuk zijn. En ik kan sentimenteel zijn, dat ik net een stap over die grens zet.

Ik ga naar huis met een goed gevoel en een heleboel om over na te denken. Het is januari, dus daar is ook tijd voor.

Kanten

Het vertrouwen in een goede afloop begint te komen. En toch ook weer niet. Ik kan het eigenlijk nog steeds niet echt geloven. Ik wil dit al zó lang, zou het dan nu echt gaan gebeuren?

Ik ben ergens wel heel blij en trots, maar ik vertel het behalve aan Marleen nog aan niemand. Als ik het nu al aan allerlei mensen vertel, gaat het vast alsnog niet door, denk ik (hoi, bijgeloof!). Ik wil niet straks aan iedereen moeten vertellen dat het toch niet doorgaat.

Ik ben ook bang dat sommige mensen het niet zullen begrijpen, dat ze zullen zeggen dat ik nog had moeten wachten of dat ik toch voor een grote, bekende literaire uitgeverij had moeten gaan. Ik sta achter mijn keuze, ik wil niet veel langer wachten en ik geloof niet dat er grote, bekende literaire uitgeverijen zijn die voor mij wilden gaan, maar ik heb vooral geen zin om daarover te speculeren of discussiëren. En dus vertel ik nog niks.

En dat houd ik vervolgens maanden vol. Zonder al te veel moeite, tot mijn eigen verbazing. Waardoor het allemaal best raar is. Aan de ene kant werk ik aan een BUNDEL. Dat alleen al vind ik raar. Het heeft wel altijd in mijn hoofd gezeten als ‘dat is wat ik uiteindelijk met mijn gedichten wil/ga doen’. Maar ik was nooit heel concreet bezig met de bundel zelf. Te confronterend misschien voor als het niet zou lukken. Nu is dat anders. Ik denk serieus na over welke gedichten er wel in moeten en welke niet, ik herschrijf en ik probeer nieuwe gedichten te schrijven. Ik probeer weer tijd te maken voor mijn eigen werk, in plaats van dat het ergens na al mijn redactiewerk en het leven komt.

Aan de andere kant lijkt het idee dat er echt een bundel zal komen nog even onwaarschijnlijk als eerst. Vaak heb ik er ook helemaal geen tijd en aandacht voor. Binnen drie weken zijn er twee crematies, ik ben verdrietig en moe. Ik weet niet zo goed wat ik wel en niet kan eten (mijn cholesterol is erfelijk verhoogd en ik moet kijken of het genoeg helpt als ik mijn voeding aanpas), ik ben chagrijnig omdat ik het idee heb dat ik bijna niks meer kan eten, mensen zeuren over dat ik niet te dun moet worden, de feestdagen komen eraan enzovoort enzovoort.

Ik neem kerstvakantie en dat lost sommige dingen enigszins op. Daarna heb ik een afspraak met de redacteur in Amsterdam. Met enige regelmaat zit ik aan de andere kant van de tafel. Als freelancer minder vaak dan wanneer ik nog bij een uitgeverij zou werken, maar toch. Stiekem vind ik het soms wel fijn om een geredigeerde tekst terug te kunnen sturen naar de bureauredacteur. Mijn werk zit erop, regel jij het verder maar met de auteur of vertaler. Nu richt ik me sinds een tijdje naast het redigeren wat meer op schrijfcoaching, en dus heb ik weer wat meer contact met auteurs. Ook heel leuk! Maar ik dwaal af. Dit soort gesprekken ken ik, wilde ik zeggen. Het maakt daarbij natuurlijk wel uit aan welke kant van de tafel je zit. Het blijft spannend als iemand dingen over je werk gaat zeggen, zeker als je diegene nog niet kent. Niemand hoeft mij het belang van redactie uit te leggen, maar dat wil niet zeggen dat ik het ontzettend makkelijk vind.

De uitgeverij is zo klein dat mijn redacteur (altijd al eens willen zeggen, mijn redacteur) ook een freelancer is. Dat schept een band! We spreken af in Amsterdam. Ik heb er echt zin in. Ik print mijn gedichten uit en vertrek, vol goede moed.

Meer mailtjes

Ik vind het maar een vreemd mailtje. De redacteur schrijft dat ze vergaderd hebben over de uitgaven van volgend jaar en dat het ze leuk lijkt als ze met mij tot een uitgave kunnen komen. Of ik nog meer gedichten heb die daarvoor in aanmerking komen. Groeten.

Hè? Ik heb maar vijf gedichten gestuurd. Hoe kunnen ze zoiets belangrijks nu beslissen op basis van vijf gedichten? Ze horen eerst om meer te vragen voor ze dit soort dingen zeggen. Ze horen eerst koffie met mij te drinken, want ze kennen mij nog helemaal niet. En dan daarna te zeggen dat het helaas toch niks kan worden.

Maar goed, je weet maar nooit. Ik reageer vrij pragmatisch, het is in ieder geval geen afwijzing! Ik heb nog wel (iets) meer gedichten dan vijf, dus die mail ik. En ik zeg toch maar dat mij dat ook leuk zou lijken (dat is op zich ook zo) en vraag wat de volgende stap is.

In haar volgende mail begint de redacteur over een contract. Ze schrijft dat het de bedoeling is dat mijn bundel in september of oktober uit gaat komen. Dat we nog wel een keer af zullen spreken om mijn gedichten te bespreken, maar dat ze al gezien heeft ‘dat er weinig aan hoeft te gebeuren’. Dat ze zich op de samenwerking verheugt.

Wacht even. Ze doet net alsof het allemaal hoe dan ook doorgaat. Spring ik nu een gat in de lucht? Niet bepaald. Ik krijg vooral enorme argwaan. Dit gaat ineens wel erg snel en makkelijk. Ik kan alleen nog maar denken aan van die schimmige bedrijfjes die zich vermommen als uitgeverij en dan naïeve amateurschrijvers erin luizen. Daar verschijnen regelmatig topics over op Schrijven Online. Aanvankelijk zijn die mensen dolgelukkig: hoera, iemand wil hun boek uitgeven! Dan blijken ze die ‘uitgeverij’ flink te moeten betalen, wordt hun boek inclusief honderdduizend spelfouten gedrukt, moeten ze verplicht tig exemplaren afnemen en is het nergens te krijgen. En dat is dan nog in het beste geval, als de ‘uitgever’ er niet inmiddels vandoor is met het geld zonder ook maar iets te doen voor de auteur in kwestie…

Ja, die dingen gebeuren, maar geen zorgen. Ik kan nadenken en ik weet zo’n beetje hoe het werkt in het boekenvak, dus ik heb dat meteen door. Toch? Dat ligt eraan. Als dit zo’n bedrijf is, heb ik ze nietsvermoedend gecontacteerd. Het lijkt me eigenlijk van niet, de site ziet er prima uit en de uitgeverij wordt genoemd op de site van de CPNB. Maar het is ook crisis en er zijn steeds meer tussenvormen, uitgeverijen die auteurs om eigen bijdragen vragen en zo. Zou dit zoiets zijn? Ook daar zit ik niet op te wachten.

Als ik vragen heb, mag ik ze gerust stellen, schrijft de redacteur ook nog. Tja. Zoals ik vorige keer al schreef, is het mijn talent om irritatie op te wekken bij mensen die ik over dit soort zaken mail. Ik moet dus even heel goed nadenken over hoe ik dit ga brengen. Zodat ik erachter kom hoe schimmig ze zijn, maar ze niet beledigd zijn als ze níét schimmig blijken te zijn.

Ik wil nog steeds per se alleen regulier, omdat ik nog altijd denk dat dat erin zit. Al denk ik tegelijkertijd dat deze uitgeverij haast niet regulier kán zijn, juist omdat ze zo enthousiast reageren… Uiteindelijk besluit ik vrij rechtstreeks te informeren of ze regulier zijn. Het heeft tenslotte ook geen zin als we elkaars tijd gaan zitten verspillen. Aangezien ik vaak arroganter overkom dan ik bedoel, probeer ik wel zo goed mogelijk uit te leggen waarom ik het vraag. Ik schrijf dus eerlijk dat ik al wat afwijzingen op zak heb en dat ik daardoor niet zo goed weet wat ik hiermee moet.

Gelukkig vat de redacteur het niet verkeerd op. Integendeel, ze begrijpt mijn vraag en neemt de moeite om van alles over regulier uitgeven uit te leggen. Ze beschrijft wat het Modelcontract inhoudt, hoe het zit met de verkrijgbaarheid van boeken. Ik weet dat al, maar zij weet waarschijnlijk niet dat ik dat weet, en ik vind het hoe dan ook erg sympathiek. Onder het glimlachen hierover begint er langzaam iets tot me door te dringen: ze zijn dus wel degelijk regulier.

Reactie

De impulsieve mail wordt beantwoord. Nog dezelfde dag. Dat mijn gedichten doorgestuurd zijn naar de poëzieredacteur. Ik ben optimistisch, want hoe vaak gebeurt het niet dat ik helemaal niks hoor? Vaak, heel vaak. En dan ben ik ook nog zo iemand die mensen probeert ‘daarin op te voeden’. Die dan dus nog eens mailt om te vragen of ze al meer weten. Ik raad het je niet aan. Ik vind wel dat mensen in ieder geval de moeite zouden kunnen nemen om terug te mailen, maar ik heb er al een paar keer absoluut geen vrienden mee gemaakt. Op z’n zachtst gezegd. Hoe beleefd ik ook ben. Hoewel er ook een keer excuses en een publicatie uit voortvloeiden omdat ze me oprecht vergeten waren. Dus misschien heeft het toch zin. Soms.

Hoe dan ook, ik heb een ontvangstbevestiging, dus voorlopig hoef ik niets te doen. Ik blijk ook even gemist te hebben in welke stad de uitgeverij gevestigd is. Niet heel handig vanuit mijn woonplaats, maar het is wel een stad waar ik veel mooie herinneringen aan heb, ook in combinatie met schrijven. Ik vrees dat ik sowieso wel aanleg heb voor bijgelovigheid, maar in dit geval zeker. Ze mailen terug en ze zitten in die stad! Twee gunstige voortekenen!

Alleen hoor ik vervolgens maandenlang niets. Op zich gaat het wachten me ongekend goed af. Ik laat het los, ik heb zoveel andere dingen aan mijn hoofd dat ik niet eens echt aan het wachten ben. Als ik eraan denk, denk ik er echter nogal negatief over. Zie je wel, het gaat weer net als al die andere keren. Je hoort gewoon weer niks. Als ze enthousiast waren, had je nu allang iets gehoord. Hoogstens mailen ze nog eens iets van ‘ja, heel leuk, hoor, je hebt talent, ga zo door, maar wij hoeven je niet’ en dan is dit ook weer mislukt. En dan?

De aandacht trekken van uitgeverijen was nooit echt een probleem. Ik bedoel dat niet arrogant, zo ging het gewoon. Ik kende mensen, mensen die ik kende kenden mensen, hadden goede ideeën en hebben ongelooflijk met mijn werk geleurd, vaak zelfs zonder dat ik het ze vroeg. Heel lief en bijzonder. En bijna iedereen bij die uitgeverijen was even aardig en welwillend (dat wil zeggen, als ik er nog iets van hoorde ;)), maar welwillendheid wordt niet automatisch een bundel. Op een gegeven moment wist ik het ook niet zo goed meer. Concrete feedback bleef grotendeels uit. Uitgeverij A zei: ‘Wat heel goed is aan jouw werk, is dat je echt een eigen stem hebt.’ Uitgeverij B zei: ‘We missen nog een beetje een eigen stem.’ Echt waar.

De twijfel is groot. Misschien ben ik toch niet goed genoeg. Jawel! Maar waarom lukt het dan niet? Toch wacht ik af. Ze hebben me nog niet afgewezen, dus ik maak nog kans. Hoe klein die kans ook is. Hoeveel maanden zijn er inmiddels verstreken? Misschien moet ik toch nog eens mailen?

Ineens is het al 1 december. De baby van het dekentje wordt geboren (dit weet ik nog niet meteen) en ik voer een erg moeilijk telefoongesprek, waardoor ik na weken stressen weer wat opluchting kan voelen. En er zit een mailtje in mijn inbox.

Ontwikkelingen

Veel mensen zeggen tegen mij dat ik nog tijd genoeg heb om te publiceren. Daar ben ik het op zich wel mee eens. Ik hoop het in ieder geval. Ik zal andere mensen ook altijd adviseren om er de tijd voor te nemen. Tegelijkertijd begin ik zo langzamerhand toch een beetje haast te krijgen. Ik ben al meer dan tien jaar serieus met schrijven bezig. De eerste jaren was het totaal niet op niveau, maar ik wil er wel al vanaf het begin iets mee, dus het lijkt nu wel erg lang te duren allemaal. Sommige tijdschriften en optredens lukken, maar dat debuut komt er maar niet.

Ik ken veel dichters/schrijvers van mijn leeftijd (of jonger) en de een na de ander krijgt bundels en boeken. Soms ben ik daar echt jaloers op. Ik denk er een paar keer dichtbij te zijn, maar toch lukt het niet. Ik begrijp niet waarom. Hoeveel beter moet ik nog worden en kan ik dat wel? Heb ik gewoon extreem weinig geluk? Komt het omdat ik niet in Amsterdam woon/niet van feestjes, borrels, netwerken en dat soort houd/nooit het NK Poetry Slam zal winnen? Wie zal het zeggen?

Ik vind het steeds lastiger om oprecht blij te zijn voor mensen. Om nieuwe dingen te maken en te genieten van de dingen die wél lukken. De gedichten die ik in mijn bundel zou willen liggen te verstoffen. Straks vind ik ze te oud om ze erin te stoppen. Er blijven mensen die zeggen dat het goed gaat komen, dat ik goed ben, dat ze nog steeds op mijn bundel wachten. Ik vind het heel fijn dat die mensen er zijn, maar ik geloof ze met wisselend succes.

Het is augustus 2014, en ik zit weer eens te piekeren over mijn onbestaande ‘schrijfcarrière’. Misschien moet ik mijn eisen iets bijstellen. Ik wil absoluut nog steeds niks in eigen beheer, dat bewaar ik wel voor als ik vijftig ben en compleet verbitterd omdat het nog steeds niet gelukt is. Maar de ene reguliere uitgeverij is de andere niet. Misschien maak ik meer kans bij een wat kleinere, onbekendere. Alsof de grote uitgeverijen zoveel aandacht besteden aan debutanten waar ze toch niks aan gaan verdienen. Ik bekijk een lijst met ingezonden bundels voor de C. Buddingh’-prijs. Deze uitgeverijen doen dus in ieder geval íéts met de bundels die ze uitgeven, dat lijkt me een goed teken. Ik zie meerdere namen die ik niet of nauwelijks ken en ga op onderzoek uit.

Bedachtzaam als ik ben, doe ik vervolgens alles wat je nóóit moet doen als je een uitgeverij wilt benaderen. Ik lees me niet in in het fonds. Ik denk niet na over de manier waarop ik mezelf en mijn werk ga presenteren. Ik stuur geen compleet manuscript (sterker nog, ik heb niet eens een compleet manuscript, alleen een stapeltje gedichten waar ik niet al te ontevreden over ben). Ik kijk nog net of ik ergens eisen kan vinden die ze aan ongevraagde manuscripten stellen. Die lijken er niet te zijn. Ik kom er niet eens achter of ze wel ongevraagde manuscripten willen ontvangen. En toch typ ik een voorstelmailtje en voeg daar een paar gedichten aan toe. Voor ik het weet, heb ik het al verzonden.

Cliffhanger, ik weet het, sorry. Dit is het eerste deel van een heuse serie. Of zoiets. Binnenkort lees je meer!

Boeken van februari

Je zou het op basis van het aantal misschien niet zeggen, maar het idee dat ik elke maand over de boeken die ik gelezen heb wil bloggen, helpt dus wel. Zo vond ik dat ik zaterdagavond nog snel m’n boek uit moest lezen omdat het zondag 1 maart was.

het verloren symbool

Dan Brown – Het verloren symbool
(The Lost Symbol, vertaald door Marion Drolsbach, Erica Feberwee, Pieter Janssens en Yolande Ligterink – Wow, vier vertalers! Er was kennelijk nogal haast bij?)

Dit boek zwierf al tijden door ons huis. Ooit gekregen, volgens mij. Ik vind Browns boeken altijd best vermakelijk, je weet wat je kunt verwachten. Dit boek stelde me ook niet teleur. Ik realiseerde me alleen wel dat ze extra leuk zijn als je op de plaatsen geweest bent die hij beschrijft. In Washington ben ik nog nooit geweest. O, en ik kan slecht tegen eng en smerig. Echt heel slecht. Als het niet eng of smerig is, ben ik steeds bang dat het eng of smerig gaat worden. Dit boek leunt nogal op ranzige rituelen, dus dat beperkte de momenten waarop ik dit boek kon lezen flink: niet voor het slapengaan en niet als ik aan het eten was…

fiepinvogelvlucht

Gioia Smid – Fiep in vogelvlucht. Hoogtepunten uit het werk van Fiep Westendorp
Dit boek heeft dan weer tijden op mijn nachtkastje gelegen, omdat ik het fijn vond om er voor ik ging slapen nog even in te bladeren. En dat bladeren zal ik ook wel blijven doen, want er staan zo veel mooie illustraties in! De tekst vond ik ook heel interessant, je ziet daardoor nog veel meer op de tekeningen en je leest over hoe Westendorp leefde en werkte. Ze illustreerde veel feuilletons en artikelen en moest vaak op het laatste moment op basis van heel weinig informatie iets verzinnen bij een verhaaltje dat de schrijver (bijvoorbeeld Annie M.G. Schmidt, uiteraard) nog niet af had. En ze ging haar originele tekeningen ophalen als ze eenmaal gedrukt waren. Veel andere illustratoren deden dat kennelijk niet, maar daardoor is er dus gelukkig zo ontzettend veel bewaard gebleven van haar werk. Echt een boek dat mij heel blij maakt!

DSC_0360

Tessa de Loo – Meander
O, er zijn hier zo veel boeken in huis die ik nog ‘even’ wil lezen voor ik besluit wat ik ermee ga doen. We hebben een nogal streng aankoopbeleid (1 erin, minimaal 1 eruit) en lenen veel van de bieb. Het werkt best goed, want het past nog steeds allemaal in de kasten. Maar het valt niet mee in een huishouden met twee literatuurwetenschappers waarvan een ook nog eens redacteur is. Dit boek wilde ik dus ook nog lezen omdat ik De tweeling vroeger mooi vond (en de film misschien nog wel mooier). Het was best oké. Ik vond het wel een rustgevend boek, ik pakte het ‘s avonds met plezier. Wel een beetje gedateerd (het komt uit de jaren tachtig, maar speelt zich af in de jaren zestig). Ik lees ook altijd wel graag over gesloten gemeenschappen en sektes en zo, en dit gaat over mensen die ergens in Zeeland een gemeenschap stichten waarin alles veel menselijker en biologischer en vredelievender zou moeten zijn. Natuurlijk wordt dat uiteindelijk niks, anders heb je geen boek.