Lief Dagboek

Maandag 8 juli

Dit leek een goede dag om ook een dagboekje te beginnen (mijn favoriete rubriek op blogs van anderen). Omdat ik echt iets overwonnen heb vandaag. Iets wat voor anderen waarschijnlijk niets voorstelt, maar voor mij wel. C. mocht na een onderzoek niet aan het verkeer deelnemen, dus heb ik haar opgehaald bij het ziekenhuis en naar huis gebracht. Dit was trouwens een concrete aanleiding om vier jaar geleden (toen reed ik helemaal niet) een aantal opfrisrijlessen te nemen en een auto te kopen. Dus ik ben superblij dat dat nu kan, maar ik heb er wel wekenlang over gestrest. Alleen rijden, parkeren in de parkeergarage, door Utrecht rijden in de spits, alles vond ik er doodeng aan. Maar ik heb het gedaan, en daarbij alleen een doosje van een cd gesloopt. En mezelf weer eens voor aap gezet omdat het fileparkeren voor ons huis aanvankelijk niet lukte (parkeren is vaak een klein drama hier in de straat).
’s Ochtends probeerde ik te werken en ’s avonds hing ik trots maar uitgeput op de bank, met cakejes die C. op de een of andere manier ook nog had weten te bakken. S. was wel weer naar de crèche, maar werd ‘s middags wakker met koorts. Dan moet ze eigenlijk worden opgehaald, maar ze had tegen de juf gezegd dat ik niet kon komen omdat ik naar het ziekenhuis moest (altijd handig, zo’n geïnformeerd kind), dus hadden ze M. gebeld, maar die kon er niet eerder zijn dan ze er al zou zijn, dus lieten ze het maar zo. We aten door al het gedoe pas laat, maar S. bleef maar zeggen hoe lekker het was (gekookte aardappelen, broccoli en zalm/vissticks, haute cuisine).

Dinsdag 9 juli

Slecht geslapen doordat S. nog steeds ziek is en D. 5 uur ’s ochtends tegenwoordig een prima tijdstip vindt om te ontwaken. We moeten boodschappen doen, hoewel S. opmerkt dat we geen brood hoeven te kopen, omdat we toch cakejes hebben. Hm, waar hebben we dat meer gehoord? Uiteindelijk besluit ik S. in de buggy mee te nemen naar de supermarkt en D. in de draagzak. Niet mijn favoriete vervoeroptie. Helemaal niet als S. in de supermarkt per se met een klein karretje wil lopen en ik ervoor moet zorgen dat ze niet tegen al te veel mensen aan botst, terwijl ik de lege buggy duw. Als we eindelijk terug zijn, is het alweer bijna tijd voor de lunch. S. is het er niet mee eens dat D. eerst borstvoeding krijgt. We hebben een lekker broodje gekocht in de supermarkt, maar ze eet het amper op, daaraan kun je merken dat ze echt nog niet lekker is. Na de lunch gaat ze slapen en dat probeer ik ook even te doen op de bank, maar al snel wordt D. weer wakker. Met haar op schoot lukt het nog wel om een stukje podcast te luisteren. Als de boodschappen worden bezorgd, is S. weer uit bed en mag ze eindelijk ook een cakeje. Daarna spelen we op de grond domino terwijl D. erbij ligt op een kleed en kijken we een tijdje in Nederland van Charlotte Dematons. Terwijl S. een filmpje kijkt (op dit moment meestal een onride van Carnaval Festival of een aflevering van Het Zandkasteel, vandaag Carnaval Festival), probeer ik alvast te koken. Als M. thuiskomt, is de pasta (met vegaspekjes, doperwten en ricotta) zowaar bijna klaar, en maak ik me zorgen omdat ik vlekjes heb gezien in S.’ nek en ik panisch ben voor hersenvliesontsteking. Gelukkig blijkt dat ze vooral aan haar nek heeft gekrabt en zien we er later niks meer van. Het douchen en naar bed gaan verloopt in redelijke harmonie, D. slaapt een poos in de kinderwagen en wij kijken een aflevering van De Campus Cup (inmiddels al afgelopen, maar wij lopen achter).

Woensdag 10 juli

Voor het eerst weer de constructie waarbij M.’s moeder komt oppassen en ik ga werken bij mijn moeder en haar man. Ik schiet best lekker op, vooral nadat mijn broertje ervoor heeft gezorgd dat het toetsenbord werkt. En al moest ik bij mijn ene opdracht al achter een ontbrekend stuk vertaling aan en moet ik er bij mijn andere opdracht nog achter zien te komen in hoeverre ik bepaalde dingen moet/mag/kan herschrijven.
Thuis bleek S. oma te hebben wijsgemaakt dat ze nog een cakeje mocht en dat ze de voor D. bestemde broccoli vast mocht opeten. Geslapen had ze ook niet, dus het was bij het avondeten echt wel klaar. Erg vermoeiend, zeker als je zelf ook al moe bent. Verder ook gewoon veel dingen die veel werk zijn, maar waar niet zoveel over te vertellen valt: poepincidenten, kolven, zooi enigszins proberen op te ruimen.

Donderdag 11 juli

Er zijn grenzen aan hoe vaak je kinderen in je gezicht kunnen hoesten en niezen zonder dat dat gevolgen heeft. Keelpijn. Hoesten. Hoofdpijn. Ook vandaag weer geen volledige werkdag. Zo frustrerend, het lukt zelden om echt meters te maken, zeker zolang ik nog borstvoeding geef (en dus moet kolven als D. er niet is). Tegelijkertijd ben ik ervan overtuigd dat borstvoeding voor ons het beste is en hoop ik er nog lang mee door te kunnen gaan.
Gelukkig is M. vandaag ook thuis, want we moeten vanmiddag weer naar het ziekenhuis met S. Die kan daardoor alleen ’s ochtends naar de crèche. Ze wil dat wel graag, want haar favoriete juf is er. We laten D. de hele dag gaan, zodat we die niet mee hoeven nemen naar het ziekenhuis. De afspraak verloopt redelijk, het kost wat stress om er op tijd te zijn en de wachtkamer is erg vol. Maar we zitten aardig op een lijn met de arts en hij stelt zowaar een open vraag in plaats van dat hij veronderstelt dat we zussen zijn. S. doet het goed, zegt na afloop dat ze het leuk vond bij de dokter en er hoeft nu even niks te gebeuren. We besluiten D. gelijk op te gaan halen en blijken een snelle route naar de crèche te volgen. Alwaar ze in de barbecuelucht zitten van de bso. D. heeft belachelijk lang geslapen op de crèche en goed gedronken, dus dat is fijn. Het valt me nog tegen hoe moeilijk ik het vind om haar weg te brengen. Ik loop naar huis met D. in de draagzak en de fiets aan de hand, M. en S. gaan vast vooruit. Ik ben erg moe als ik thuiskom en daarna gaat het bergafwaarts, ik ga niet veel later dan S. naar bed, ook al moet ik nog wel voeden.

Vrijdag 12 juli

Ik ben ziek, inclusief koorts. Nog een geluk dat het vandaag geen dinsdag is. Ik lig veel in bed, behalve als M. met de auto naar de garage is. ’s Middags lukt het om te douchen, maar ik sla het feestje van de buren over. S. heeft een waardeloze dag qua zindelijkheid. Ze is wel dolgelukkig met de ballon die ik voor haar opblaas, en D. vindt het ook fantastisch als ik en S. ermee spelen. Niet vergeten dat dat er ook is, twee giechelende kindjes.

Zaterdag 13 juli

Nog steeds ziek. M. gaat met S. naar gym, laatste keer voor de vakantie. Ik ben sinds de geboorte van D. pas een keer geweest, dus het gaat allemaal een beetje langs me heen. En sowieso, omdat ik ziek ben. Hele happen uit m’n weekend. Ik werk wel af en aan aan een gedicht voor een wedstrijd, lang geleden dat ik dat nog eens deed. Goed teken. We denken dat D. kan omrollen, maar we hebben het nog niet gezien (‘Had jij haar op haar buik gelegd?’ ‘Nee, jij?’). M. is alleen getuige van een mislukte poging, waarbij D. hard op haar hoofd valt, dus misschien durft ze nu niet meer. ’s Avonds kijken we naar de nieuwste vlog van Scarlet en Joyce. Er zit veel gesponsorde zooi tussen, maar we kijken toch omdat zij ook twee moeders zijn en hun kindje zo schattig is.

Zondag 14 juli

Nog steeds niet beter, ik word er steeds chagrijniger over. S. en M. gaan zomaar een stukje met de trein en ik zorg voor D. D. is meestal heel vrolijk, maar het is best moeilijk om voor een baby te zorgen als je eigenlijk wil slapen (vooral als die baby niet zoveel slaapt). Er is wel enige vooruitgang, want het lukt om deze hartige taart te maken als avondeten. D. traint haar buikspieren, ze tilt steeds haar hoofd op als ze in haar stoel zit of op haar rug ligt. Na het eten doen we haar in bad. S. wil supergraag helpen en is druk in de weer met een washandje en bekertjes. D. trappelt keihard met haar beentjes, na afloop is S. doorweekt. Ach ja. Als S. in bed ligt, bestellen we boodschappen. We proberen sinds een tijd een weekmenu te maken. Ik snap nog steeds niet hoe het mensen lukt om een keer in de week alle boodschappen te doen, maar we doen nu wel minder vaak boodschappen, eten gevarieerder en proberen meer recepten uit, en dat is heel fijn.

Finaleflarf

er is nog tijd genoeg

dertig geworden
direct gedronken

nu gaat het toch echt de verkeerde kant op
wat een heerlijke fase

zij heeft dat voor lief genomen
heeft ook een reputatie
fatsoenlijk te lanceren

en dat is al met al geen schande

—————-
Toch nog iets gemaakt van het commentaar van de WK-finale van de Leeuwinnen tegen Amerika, op 7 juli 2019. Ik vreesde al dat het lastig zou worden vanwege het tijdstip van de wedstrijd, en het viel inderdaad niet mee. Uiteindelijk liep ik zo’n twintig minuten achter op de live-uitzending, en vervolgens duurde het nog een paar dagen voor ik er een gedicht van had gemaakt. Ik vind het wel echt leuk om te doen, vooral om te proberen wat langere zinsdelen te gebruiken (dat lukte de vorige keer beter dan nu) en een verhaal te vertellen, het liefst een verhaal dat zo weinig mogelijk met sport te maken heeft.

Ook het commentaar bij deze wedstrijd was van Jeroen Elshoff. Voetbalflarf is een idee van Jelle Pieters (De Man met de Pen) en Kila van der Starre.

Voetbalflarf

wat heel laat op deze avond ook nog zou kunnen gebeuren

even wennen aan de stilte

schrik niet van de achtervolgers
bijna is ook nu niet helemaal
wat dat betreft dus geen paniek

er zijn zorgen
dat iedereen genoeg van elkaar afblijft
vandaar dat er nu eerst een gesprek gaat plaatsvinden

maar ook dat soort gevechten kunnen nog altijd gewonnen worden
straks, als het donker is

———–
In het kader van meer schrijven heb ik geprobeerd om een voetbalflarf te maken. Een flarf is een gedicht op basis van bestaande teksten, in dit geval het commentaar van Jeroen Elshoff bij de wedstrijd Nederland-Zweden van de Oranjeleeuwinnen op 3 juli 2019. Voetbalflarf is een idee van Jelle Pieters (De Man met de Pen) en Kila van der Starre. Je mag dus alleen zinnen en zinsdelen gebruiken die de commentator uitspreekt. Je mag knippen, plakken en schuiven, maar niets zelf toevoegen. Ik vond het erg leuk om het eens uit te proberen, je gaat er heel anders van naar het commentaar luisteren. Bij eerdere wedstrijden is het me niet gelukt om mee te schrijven, en met de finale zondag om 17.00 uur wordt het waarschijnlijk ook weer niks (iets met twee kinderen die van alles moeten en willen), maar gisteravond is het in ieder geval gelukt.

Podcasts

De afgelopen maanden heb ik behoorlijk wat podcasts geluisterd (toen de baby er nog niet was en later als ze er niet doorheen huilde), en ik wilde daar ook eens iets over schrijven. Ook al luister ik veel podcasts die iedereen luistert. Tips zijn altijd welkom! Ik hou vooral van verhalende podcasts (in plaats van interviews of talkshows) die niet te eng zijn en luister het liefst Nederlandstalig.

Mijn favoriete podcast is en blijft Bob, van audiocollectief Schik. Die heb ik al twee keer helemaal beluisterd, en daardoor ben ik nu ook een beetje verpest, want die is zó goed! De ondertitel luidt ‘Hoe vind je iemand die misschien niet bestaat?’. De podcastmakers beloven Elisa, een oude vrouw, dat ze op zoek zullen gaan naar Bob, haar jeugdliefde. Elisa heeft echter problemen met haar geheugen en vertelt soms ook dingen die simpelweg niet kunnen kloppen, dus het is maar de vraag wie Bob was en of ze hem zullen vinden. Ik vind het altijd leuk om ook terug te horen hoe de podcast is gemaakt, en in deze sparen de makers zichzelf zeker niet. De muziek aan het einde van elke aflevering vind ik ook erg mooi en het einde van de reeks ontroert me nog altijd.

Van twee van de drie leden van Schik is Laura H., ‘het kalifaatmeisje uit Zoetermeer’. Onbedoeld heb ik redelijk wat podcasts geluisterd die gebaseerd zijn op boeken. Deze podcast is gebaseerd op het gelijknamige boek van Thomas Rueb, die ook uitgebreid in de podcast aan het woord komt. Daardoor vond ik deze podcast soms iets te veel een reclamepraatje voor dat boek (hoewel ik denk dat veel luisteraars niet ook nog het boek gaan lezen, maar misschien is dat een misvatting). Deze podcast haalde het niet bij Bob, maar vond ik wel interessant.

Misschien een wat onbekendere podcast is Bureau Breda. Dit is een fictieve podcast, bestaande uit zes korte afleveringen, geschreven door Daan Windhorst. De makers noemen hem een sitcom, dat lijkt me terecht. Jelle Brandt Corstius (gespeeld door Jelle Brandt Corstius zelf) kijkt hierin mee op de redactie van het huis-aan-huisblad de Gezinsbode in Breda. Soms behoorlijk flauw, maar vaak toch ook wel vermakelijk.

De Brand in het Landhuis is dan juist weer zo’n podcast die zo’n beetje iedereen die weleens een podcast luistert heeft geluisterd. Deze vond ik ook heel goed. De podcast gaat over Ewald Marggraff, een excentrieke man uit Vught die bij een brand in zijn eigen landhuis om het leven is gekomen. Hij zou een enorm vermogen hebben en een bijzondere kunstcollectie, maar van beide is na zijn dood niets teruggevonden. Maker Simon Heijmans zoekt uit wat er gebeurd zou kunnen zijn. Dat leidt tot een spannend verhaal, dat op een heel prettige manier wordt verteld door Simon zelf en eindredacteur Marion Oskamp.

Nog een podcast gebaseerd op een boek: Geen noot is onschuldig, over Frieda Belinfante, een lesbische celliste, dirigente en verzetsheldin. De makers noemen het zelf een hoorspel. Het is gespeeld, maar gebaseerd op de werkelijkheid. Ik vond dit een mooie podcast, al is de vorm misschien een beetje gekunsteld. Ze hebben wel erg krampachtig Frieda’s leven op proberen te delen in motieven, zodat ze de vergelijking kunnen trekken met motieven in de muziek (je hoort wel veel mooie klassieke muziek in de podcast). Daarnaast wordt het verhaal verteld door Frieda’s cello (!), gespeeld door Krijn ter Braak, van die vondst was ik ook niet echt weg. O, en in de laatste aflevering voeren ze de auteur van het boek (Toni Boumans, het boek heet Een schitterend vergeten leven) ineens op, wat voor mij niet echt een functie had. Daar staat tegenover dat ik het leven van Frieda Belinfante fascinerend vind en dat Jacqueline Blom haar geweldig speelt.

Nog een podcast waarvoor je van muziek moet houden: De Bourgondiërs. Meer bepaald van middeleeuwse muziek. Nu kan ik die wel waarderen, maar het is denk ik goed om rekening te houden met lange afleveringen waarin de verteller je vaak minutenlang achterlaat met die muziek (de podcast is dan ook gemaakt in samenwerking met de Belgische radiozender Klara). Houd sowieso maar rekening met lange afleveringen waarin de verteller veel uitweidt. Die verteller is de auteur van het gelijknamige boek, Bart van Loo. Dat boek is enorm dik, dus ik hoef geloof ik niet te weten hoeveel hij daarin uitweidt. Dit is een podcast over de ‘aartsvaders van de Lage Landen’, oftewel over Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Filips de Goede en Karel de Stoute. Ik geef meteen toe, die kerels kende ik ook niet voor ik deze podcast ging luisteren. Mijn kennis over de vaderlandse geschiedenis is dan ook bedroevend, maar nu dan toch enigszins aangevuld. Dit vond ik niet echt een podcast om eens lekker bij achterover te leunen, want je krijgt enorm veel informatie, maar wel van een superenthousiaste verteller.

Hierna wilde ik graag wat luchtigers luisteren en kwam ik uit bij Waarom, een deprimerende podcast over de zelfmoord van een Gentse tiener in de jaren negentig… Eva Moeraert was een vriendin van hem en probeert nu alsnog uit te zoeken wat er precies is gebeurd. Ik ben net iets te jong om veel te herkennen in hun levens en muzieksmaak van toen, maar de sfeer komt zeker goed over. Deze podcast werd getipt in de Volkskrant en dat mag zeker, maar ik vond hem uiteindelijk toch een klein beetje tegenvallen. Mooi gemaakt en ik wil niets afdoen aan de tragiek en het verdriet, maar ik vond het verhaal redelijk mager. Al snap ik ook wel dat dat nu eenmaal het verhaal is.

Nu luister ik naar De moord op Patrick, een vrij grimmige, serieuze true crime-podcast die nog loopt. Daarnaast ben ik sinds kort begonnen aan de Couch to 80k Writing Boot Camp, een Engelstalige schrijfpodcast van Tim Clare. Deze podcast is nadrukkelijk interactief, het is de bedoeling dat je zes dagen per week luistert en de oefeningen doet. Ik schrijf al een hele tijd vrijwel niets en vind dit een interessant concept, dus ik geef het een kans.

Boeken van mei/juni

Maarten ’t Hart – Een vlucht regenwulpen

In de uitgave van Nederland Leest, geen idee meer of ik die zelf heb opgehaald of door iemand anders in mijn maag gesplitst heb gekregen. Ooit natuurlijk zeker een boek dat je gelezen moest hebben als je iets had met Nederlandse literatuur, maar ik heb de indruk dat dat wel een beetje geweest is. Het was leuker dan ik dacht dat het zou zijn, al vond ik de hoofdpersoon op een gegeven moment behoorlijk creepy in hoe hij spreekt over vrouwen in het algemeen en zijn geheime liefde in het bijzonder.

Saskia De Coster – Nachtouders

Dit boek wilden we lezen na een interview met Saskia De Coster in Volkskrant Magazine. Dat hadden meer mensen uiteraard bedacht (het boek was dan ook de aanleiding voor het interview), dus we moesten even wachten tot het bibliotheekboek binnen was. En toen bleken we ook nog een exemplaar te hebben met een dubbel katern erin (en dus ook een ontbrekend katern). Het is best een fragmentarisch boek, dus ik heb het vast uitgelezen terwijl ik wachtte op een compleet exemplaar. Er moeten haast toch mensen geweest zijn die dat boek hebben geleend en er niets van hebben gezegd, apart. Of misschien ook niet, want op Twitter reageerden de bibliotheek en uitgeverij Das Mag heel snel en goed op mijn ‘klacht’, maar de biebmedewerkster op locatie leek totaal niet geïnteresseerd, dat je je afvraagt of ze dat verkeerd gebonden boek zo weer in de kast zet als je weg bent. Maar goed, ik heb uiteindelijk het complete boek gelezen en het was mooi en interessant. Er zijn zo ontzettend weinig boeken over lesbisch ouderschap, ik duik erop als ik er een vind. Ik was even bang dat dit het boek zou zijn dat ik zelf ooit zou willen maken, maar het leek er niet echt op, al was het maar omdat wij geen bekende donor hebben die opgegroeid is op een Canadees hippie-eiland, en dus ook niet op dat eiland zullen belanden met onze kinderen. En gelukkig ook omdat wij niet zulke bekrompen, negatieve ouders hebben als Saskia. En om allerlei andere redenen. Het leek er eigenlijk helemaal niet op, behalve dan dat zij ook twee moeders zijn en dat je dan blijkbaar bepaalde reacties oproept. Om eerlijk te zijn interesseerde mij het verblijf op het eiland wat minder. Helaas, want daar verblijven ze vrijwel het hele boek… De gesprekken tussen de moeders, de situaties waar ze in terechtkomen, de gedachten over schrijverschap en moederschap, heel boeiend en raak en herkenbaar, al was het maar dat Saskia de negatie niet hoort als iemand ‘geen paniek’ zegt. Ze wisselt trouwens steeds van de derde naar de eerste persoon en terug. Ik vond dat niet per se geweldig, maar wel interessant om te zien dat het dus wel kán.

Claudia de Breij – Neem een geit

Ik was eigenlijk in de bibliotheek op zoek naar het boek hieronder, maar dit boek zag ik eerst. Ik wist dat het bestond, maar ik was er niet zo in geïnteresseerd. Ik dacht dat het vooral heel veel korte interviewtjes waren met BN’ers, maar het aantal BN’ers viel mee (ze komen vaker terug) en het was vooral een persoonlijker boek dan ik had dacht. Ik lees, hoor en zie Claudia de Breij nog altijd graag, dus dat vond ik een pluspunt. Er worden heel wat open deuren in getrapt (het is een boek met adviezen over hoe te leven), maar er staan toch ook wel mooie verhalen en anekdotes in, en dingen die me lieten nadenken. Zoals dat mensen er vaak van uitgaan dat je doet wat je wil, dat ze het vaak niet zien als je iets niet wil, maar toch doet (bijvoorbeeld voor iemand anders). Dat je dus duidelijk moet zijn over wat je wil. Dat je complimenten niet voor je moet houden.


Liesbeth Smit – Ik moet nog even kijken of ik kan

Dit boek, over introversie, gaat over mij. Ik kon zo ongeveer alle vakjes van de ‘introvertenbingo’ voor in het boek afstrepen. Die herkenbaarheid was heel fijn. Daarnaast is het ook best een grappig boek. Het leek me wel een boek waarin voor eigen parochie wordt gepreekt, ook al staan er dan tips in voor extraverten om met introverten om te gaan (en vice versa). Daarnaast is het ook een erg roze boek, met felroze vlakken en tekst die ik niet altijd even goed leesbaar vond. Ik ben zelf helemaal niet van bepaalde kleuren voor bepaalde geslachten, maar ik vond dit toch een vreemde keuze, alsof introversie speciaal iets voor vrouwen is.

Nog meer boeken

Toch even kijken of ik het weer een beetje beter bij kan houden. In ieder geval ben ik er blij mee dat ik weer lees (ik vermoed dat het weer veel minder zal worden als ik weer werk, en voor mijn werk lees).

Hanna Bervoets – Fuzzie

Ik ren niet meteen naar de winkel als Hanna Bervoets een nieuwe roman publiceert, maar vaak lees ik hem uiteindelijk wel. Fuzzie vond ik terug op queerboeken.nl. Het is eigenlijk een site met boekentips voor scholieren die voor hun lijst moeten lezen, maar ook handig om in de gaten te houden als je zoals ik altijd op zoek bent naar goede lesbische boeken die je nog niet kent. Nu is dit boek niet ontzettend lesbisch, maar dat is ergens ook wel fijn, als de plot niet draait om uit de kast komen, als er geen nadruk op wordt gelegd (ik heb veel ideeën en gedachten over queerboeken, maar dat zou iets zijn voor een aparte blog, naast dat ik nog altijd vind dat ik niet alle recht van spreken heb zolang ik zelf geen queerboek heb gepubliceerd). Het boek gaat over verschillende mensen die pluizige gekleurde bolletjes krijgen. Die tegen ze praten. Een erg origineel gegeven, dat sowieso, en het biedt ook volop ruimte voor de filosofische bespiegelingen waar Bervoets zo dol op is (want die bolletjes zijn dus nogal filosofisch aangelegd). Helaas gaat het veel over een man met een hond, ik heb niks met honden. De compositie vond ik wel erg mooi, en ook dat een van de personages op een gegeven moment zegt (het boek is allang terug naar de bibliotheek, dus ik heb helaas de precieze formulering niet paraat) dat haar ouders haar zien als een feuilleton, terwijl zij zichzelf liever ziet als een bundel korte verhalen. Sommige observaties zijn prachtig, op andere momenten gaan ze te lang door. Maar dat vind ik eigenlijk altijd in haar boeken. Meestal wordt het op een bepaald punt in het verhaal ook ineens supergruwelijk, en daar kan ik niet zo goed tegen. In dit boek gelukkig niet!

Ali Smith – How to Be Both

Ik schrijf normaal gesproken niet over boeken die ik niet uitlees. Ik lees ook niet vaak boeken niet uit. Ik heb dit boek niet uitgelezen. Sterker nog, ik heb slechts de helft gelezen. Alleen het ene verhaal, dat over George (v) in 2013. De andere helft van het boek beslaat het verhaal over Francesco del Cossa, een of andere schilder uit de renaissance. Ik miste George te veel in het andere deel en begreep er te weinig van. Zo jammer, want het deel vanuit George vond ik echt heel goed en inspirerend. Smith beweegt zich ongelooflijk knap door de tijd, en ze vertelt zo mooi, zo poëtisch, het is zo écht en grappig. En talig, vandaar dat ik nog speel met de gedachte om de Nederlandse vertaling een keer te proberen. Om te zien hoe die is, en in de hoop dat ik de tekst vanuit de schilder dan beter begrijp. Mijn Engels is best goed, maar ik dacht soms dat het hiervoor niet goed genoeg is. Ik doe het totaal geen recht met deze samenvatting, maar George heeft haar moeder verloren, die moeder was druk met het werk van de schilder uit het andere deel, George raakt daardoor ook gefascineerd door hem, en ik geloof dat hij haar dan weer observeert.

Oké. Ik had eigenlijk genoteerd dat het me te weinig interesseerde om de vertaling een kans te geven, maar toen ging ik reviews lezen op Goodreads om te zien hoe dom ik precies ben of er meer mensen waren die het deel over die schilder niet doorkwamen (die waren er) en toen kwam ik erachter dat er twee verschillende versies van het boek bestaan, expres. In sommige exemplaren komt het verhaal vanuit de schilder eerst, in andere het verhaal vanuit George. Wow. Wat intrigerend! *literatuurwetenschapperhart gaat weer sneller kloppen* Ik vraag me af of de aardige mevrouw van Gay’s the Word dat ook wist. Misschien niet. Achteraf gezien denk ik dat zij het had over de versie waarin het verhaal van de schilder eerst kwam, want ze zei dat we waarschijnlijk bij de eerste pagina’s zouden denken: Wat ís dit voor boek? En dat vond ik dus enorm meevallen toen ik het ging lezen… Hm. Misschien ben ik er toch nog niet helemaal klaar mee.

Alison Bechdel – Are You My Mother?

Dit boek kreeg ik van M. voor mijn verjaardag. Absoluut ook zodat ze het zelf kon lezen, maar ik ben er superblij mee. Alison Bechdel heeft Fun Home geschreven en getekend, en o, wat houd ik veel van Fun Home. Van het boek, en ook van de musical, die we vorige zomer in Londen hebben gezien (toen kwamen we ook toevallig bij Gay’s the Word terecht). Deze zomer spelen ze een Nederlandstalige versie in Amsterdam (maar liefst twee weken lang, tijdens de Gay Pride, want het is natuurlijk voor een specifieke doelgroep en commercieel niet interessant genoeg, pff, mensen weten niet wat ze missen). Uiteraard hebben M. en ik al kaarten. Ik checkte net even of ik inderdaad al eerder over Fun Home had geschreven hier. Had ik, en zie, niet vaak, maar soms gaat iets ook gewoon wél precies zoals je wilt, want ik schreef toen dat ik hoopte dat de musical nog eens dichterbij te zien zou zijn (destijds alleen in New York) en nu hebben we hem gewoon in Londen gezien en gaan we hem nog zien in Amsterdam! Goed, en nu iets over Are You My Mother? Dat moet je lezen na Fun Home, en dan ben je nog meer fan. Het is eenzelfde soort graphic novel als Fun Home, maar het speelt later, als Alison Bechdel werkt aan Fun Home. Daarom fascineerde het me ook zo, het is een kijkje achter de schermen. De titel zegt het al, dit boek gaat veel meer over haar moeder (en Fun Home over haar vader). En meer over haar volwassen leven en schrijverschap. Het staat vol psychologie, en is daarmee misschien nog wel ingewikkelder dan Fun Home, ook hier had ik wel weer wat ‘Ik ben hier te dom voor’-momenten. Maar het is vooral erg mooi en ontroerend en eerlijk en grappig.

Weer eens een boekenblog

Er waren tijden dat ik dit elke maand deed, de boeken bespreken die ik had gelezen. Totdat ik geen boeken meer las in mijn vrije tijd (en ook amper meer blogde). Mijn hoofd stond er niet naar. Ik probeerde de krant te lezen, maar las vooral talloze oude Margrieten, nummers van Ouders van Nu en alle zwangerschapstijdschriften waar ik aan kon komen. Vorig jaar zomer waren M. en ik in Londen, en ook al las ik op dat moment niet, ik moest natuurlijk wel uitgebreid naar Waterstones. Daar kwamen we erachter hoe briljant Bette Westera Kaatje Kip heeft vertaald (de Engelse vertaling was veel saaier), maar ik kocht er ook dit boek.

Ann Hood – Knitting Yarns. Writers on Knitting

Ik lás het ook, maar deed daar maanden over. Terwijl het allemaal korte stukken zijn van schrijvers over breien. Klinkt misschien saai, was het voor mij vaak niet. Oké, er staan een paar teksten in van mensen die zelf niet kunnen breien en ook niet heel veel meer te melden hebben dan dat, maar ook een paar verhalen die me ontroerden, waarin mensen prachtig vertellen over hun overleden geliefden (vaak moeders of oma’s). Waarin ik iets teruglas van wat het voor mij betekent.

Ik heb hier nog behoorlijk wat ongelezen boeken liggen. Je krijgt weleens wat, zeker als redacteur. En die kan ik dan vaak toch niet wegdoen voor ik ze gelezen heb. Waardoor ze hier rustig jaren blijven liggen. Op een dag besloot ik er toch weer eens eentje te proberen. Dat werd dit boek.

Julie Cohen – Zij, jij en ik
(Falling, vertaald uit het Engels door Anna Livestro)

Uitgegeven door De Fontein, en als ik niet met zwangerschapsverlof ben, werk ik veel voor hun jeugdfonds. Volgens mij heb ik het gekregen na een van hun zomerfeestjes.
Als ik hetero was geweest, zou ik misschien meer van romantische boeken houden dan nu, denk ik vaak. Ik lees ze met name voor mijn werk voor HarperCollins veel, vaak met plezier, maar ze gaan zelden over mij. Het wordt zo vaak gezegd in het kader van leesbevordering, hoe lezen je blik kan verruimen, en dat onderschrijf ik zeker, maar herkenbaarheid en identificatie zijn ook belangrijk. Het hoeft niet altijd over mensen zoals jij te gaan, maar als het daar zowat nooit over gaat, is dat toch jammer.
Dit boek is zonder meer romantisch. Het is geschreven vanuit drie personages. Honor is een oudere intellectuele vrouw die tot haar afgrijzen fysiek aftakelt. Nadat ze haar heup breekt, stelt haar schoondochter Jo voor dat Honor bij haar in huis komt. Beiden missen Stephen, hun overleden man/zoon, maar elkaar hebben ze nooit gemogen. Jo probeert zich staande te houden als alleenstaande moeder van drie kinderen van twee mannen. Haar tienerdochter, Honors kleindochter Lydia, is verliefd op haar beste vriendin.
Voor mij was het erg fijn dat het perspectief steeds wisselt. Ik las twee, drie hoofdstukken per dag om weer een beetje in het leesritme te komen. En ik vond het een heel fijn boek, ik moest (enigszins onder invloed van de zwangerschapshormonen) zelfs huilen tegen het einde. Het heeft dus zowaar een roze lijntje, bonuspunten, maar Jo’s gehannes staat in deze fase van m’n leven misschien nog wel dichter bij mij (best een vreemde gewaarwording).

En toen werd D. geboren en las ik weer een tijdje niets. Tot ik besloot om tijdens de nachtvoedingen te lezen, in de hoop dat ik dan niet in slaap zou vallen. Ik voed in bed, maar wel half rechtop omdat ik liggend voeden niet prettig vind. Als ze slaapt, wil ik zó graag plat liggen zonder baby (nu dat een optie is, in het begin sliep ze ’s nachts ook niet in haar eigen bed, nu meestal alleen overdag niet). Ik ben een paar keer in slaap gevallen met D. op me, om dan pas weer wakker te worden bij de volgende voeding, en dat vloog me zo aan. Het te lezen boek bij deze activiteit moet saai genoeg zijn om daarna direct te kunnen slapen, maar ook interessant genoeg om wakker te blijven. Nog best lastig!
Ik las eerst

Matt Dings – Jonge jaren

Bundeling van stukjes (eerder gepubliceerd in HP/De Tijd) waarin BN’ers vertellen over hun jeugd. Alles bij elkaar beslaat het een lange periode, dus je ziet veel dingen in het land, in levens veranderen (de BN’ers zijn gesorteerd op geboortejaar). De stukjes zijn echter behoorlijk kort, dus het blijft allemaal vrij oppervlakkig. En de ene persoon heeft natuurlijk ook een interessanter verhaal dan de ander, de ene persoon vind ik interessanter dan de ander (ik kende ook niet iedereen). Dit boek heb ik volgens mij ooit gekregen op Manuscripta en ga ik niet houden.

Het volgende nachtboek was

De vele gezichten van Anne Frank. Visies op een fenomeen.
(Samengesteld door Gerrold van der Stroom, deels vertaald door Krijn Peter Hesselink)

Ik weet niet meer hoe ik aan dit boek ben gekomen. Ooit een keer tweedehands gekocht, misschien? Ik ben in ieder geval genoeg in Anne Frank en de Tweede Wereldoorlog geïnteresseerd om het jaren te houden, maar blijkbaar niet geïnteresseerd genoeg om het eerder te lezen. Het is een verzameling artikelen en essays, met name over haar dagboek. Voor hoe ik het nu heb gelezen was het fijn dat het afzonderlijke stukken waren, maar eigenlijk werkte dat niet zo goed, erg veel herhaling (hoe vaak er wel niet in staat dat er een a-, b- en c-versie van het dagboek bestaan) en een gebrek aan duiding. Ik had liever een samenhangend verhaal gelezen, zeker omdat sommige auteurs elkaar tegenspreken. Er stonden wel interessante dingen in, bijvoorbeeld hoe uitzonderlijk het was (en extra gevaarlijk) dat de familie Frank als gezin op een locatie onderdook en hoe opmerkelijk het eigenlijk is dat Anne Frank hét symbool is van de Holocaust, terwijl het daar in haar wereldberoemde dagboek nauwelijks over gaat. En dat het daardoor volstrekt normaal is dat jonge tieners het lezen en bewonderen (ikzelf vormde hierop geen uitzondering, ik geloof dat ik het voor het eerst las toen ik elf was). Wat dat zegt over ons, over wat we wel en niet willen weten over verschrikkingen. Van sommige stukken ging het hart van de literatuurwetenschapper in mij sneller kloppen. Daarnaast werd er een aantal keer verwezen naar de documentaire De laatste zeven maanden van Anne Frank van Willy Lindner, die ik inmiddels ook heb gezien. Een zeer indrukwekkende documentaire waarin de verschrikkingen juist wél aan bod komen, omdat er vrouwen in worden geïnterviewd die de concentratiekampen hebben overleefd. Zij hebben Anne daar nog gezien, vandaar de titel. En ik ben er dus ook via Anne op uitgekomen, maar die insteek vond ik eigenlijk niet helemaal goed gekozen. De verhalen van die vrouwen draaien namelijk nauwelijks om Anne, het gaat om die vrouwen zelf, en dat moet ook. Zij hebben hun eigen verhalen, die moeten we net zo goed horen als dat van Anne.

Mirjam Oldenhave – Weet ik veel. Dagboek van een pleegmoeder

Ik geloof niet dat ik ooit een kinderboek van Mirjam Oldenhave heb gelezen (misschien schreef ze ook nog niet toen ik tot de doelgroep behoorde?), maar dit heb ik in een ruk uitgelezen. In het boek, de titel zegt het al, schrijft Oldenhave over haar leven als pleegmoeder, in dit geval van Esi, die oorspronkelijk uit Ghana komt. Oldenhave en haar vriend vangen tijdelijk kinderen op, en aan het begin van het boek komt Esi bij hen wonen. Ik vond alles er interessant aan: hoe ze aan elkaar wennen, het gedrag van Esi, de gevoelens en gedachten van Oldenhave, hoe pleegzorg werkt. Nu ben ik sowieso wel iemand die boeken en documentaires over opvoeding, (speciaal) onderwijs, jeugdzorg en meer van dat soort onderwerpen verslindt, maar dit is ook echt lekker vlot en goed geschreven. Ontzettend veel respect voor Oldenhave en andere pleegouders, zo knap wat zij doen, zij maken verschil.

Mark van der Werf – Meester Mark graaft door. Op reis door vijftig jaar onderwijs

Zoals ik al zei, boeken over onderwijs. Daar heeft ‘meester Mark’ er inmiddels een heel stel van geschreven (meester is hij niet meer, hij was zij-instromer in het onderwijs, zijn eerste boek ging daarover). Dit boek gaat ook nog eens over onderwijs van vroeger, onderwijs én geschiedenis, bonuspunten. Hij heeft (oud-)leerkrachten geïnterviewd en schetst op basis van die interviews een beeld van vijftig jaar Nederlands basisonderwijs. Een boek vol fijne anekdotes. Ik moet alleen mijn diensten wel echt gaan aanbieden bij zijn uitgeverij als ik straks weer aan het werk ben, want ook in dit boek kwam ik weer allerlei fouten tegen (terwijl ik het dus niet las ‘als redacteur’, maar half slapend tijdens voedingen…)

Ik stel deze boekenblog al zo lang uit dat ik inmiddels alweer meer boeken heb gelezen (hier ben ik zelf nogal opgetogen over). Maar daarover een volgende keer.

Ieder jaar neem ik me voor een ode aan De Mol te schrijven, en toch kwam het er tot nu toe niet van. Bij dezen.

De Mol. Mijn lievelingsprogramma. En dan heb ik het dus over het Vlaamse origineel. De Nederlandse Wie is de Mol kijk ik natuurlijk ook wel. Ik ben zeker geen zogenaamde ‘molloot’ die elke aflevering drie keer ziet, op internet discussieert over mogelijke aanwijzingen en naar de livefinale in het Vondelpark trekt, maar ik kijk wel en stem ook in de bijbehorende app op mijn verdachten (ik zat dit jaar toevallig goed aan het eind :)). Het enige wat je echt mollotig aan mij zou kunnen vinden, is dat ik altijd mopper over hoe het programma veranderd is. Ik heb alle seizoenen gezien, en die met onbekende Nederlanders waren toch echt beter.

Na vier seizoenen met onbekende Nederlanders, ging Wie is de Mol over op bekende en minder bekende Nederlanders. En vanaf toen ging het bergafwaarts. In mijn beleving wordt er steeds minder tijd besteed aan opdrachten, en zijn veel opdrachten ook nog eens een stuk saaier. O, en die livefinales vind ik niks. Laat zien wat de Mol allemaal gedaan heeft en laat de kandidaten vertellen, in plaats van alles eindeloos te rekken en willekeurige kinderen in het publiek te vragen wie zij denken dat de Mol is.

Nee, dan De Mol, de Vlaamse dus (gemaakt door productiehuis Woestijnvis). Bij de zuiderburen verdween het programma na drie seizoenen met onbekende Belgen van het scherm (ik moet bekennen dat ik het allereerste Vlaamse seizoen niet heb gezien, toen wist ik nog niet dat het bestond). Mede daardoor was en is het legendarisch. Als dát toch eens terug zou komen, mijmerde ik vaak bij weer een matige aflevering van Wie is de Mol.

De bedenkers hebben lang gezegd dat die kans klein was, maar een paar jaar geleden kwam het toch terug. En het is beter dan ooit. Het vierde nieuwe seizoen is nu bezig. Het wordt uitgezonden door de commerciële zender VIER, dus in Nederland kun je het alleen online terugkijken.

Waarom zou je dat moeten doen?

Het is Vlaams. En Vlaams en de Vlamingen, daar heb ik een boontje voor, al zolang ik me kan herinneren (ik heb het over jullie, Samson en Gert). En dan bedoel ik niet op zo’n irritante Hollandse ‘wat klinkt het allemaal toch schattig’-manier, maar meer zoals anderen anglofiel of francofiel zijn. Ik ben trouwens wel serieus geïnteresseerd in de taal, maar dan in het woordgebruik en de zinsbouw, niet in het imiteren van een of ander accent (mijn eigen accent zal me ook altijd verraden, maar ik mag graag denken dat ik redelijk wat woorden en uitdrukkingen ken). In die zin kan ik mijn hart ophalen bij alle Vlaamse programma’s, en dat doe ik bij De Mol ook zeker.

Maar ook al is het Vlaams, dan moeten ze er natuurlijk nog wel iets van maken. En dat doen ze dus. Dat zit hem allereerst in de originele opdrachten, die vaak bestaan uit een opdracht in een opdracht in een opdracht en soms de volledige aflevering duren, inclusief allerlei addertjes onder het gras en keuzemogelijkheden. In Nederland maken ze er zich maar al te vaak van af met iets als: ‘En nu gaan jullie Jenga spelen in tweetallen.’ Met ervoor en erna eindeloze dronebeelden en zogenaamde ‘biechten’ van de kandidaten. De Belgen zetten er een voice-over onder, maken visueel hoe de opdracht in elkaar steekt en laten verder gewoon de opdracht zien. Dat is zo fijn! Ik wil kijken naar kandidaten die opdrachten doen, niet naar kandidaten die vertellen dat ze een opdracht gaan doen of hebben gedaan en wat ze overal van vonden. Hier vertellen de kandidaten bij het maken van de test kort wie ze verdenken, en dat is het.

De Vlaamse afleveringen duren ook nog eens langer dan de Nederlandse, dus er gebeurt véél. Het is geweldig, ik kan echt even alles vergeten als ik kijk. Ik wil zo min mogelijk concrete voorbeelden geven voor wie nog iets wil gaan terugkijken, maar die cliffhangers aan het eind van een aflevering! Zo vaak kippenvel. In Nederland begon het seizoen van twee jaar geleden met een opdracht waarbij de kandidaten zich in vijf verschillende steden in Oost-Europa bevonden, terwijl ze niet wisten dat ze niet in dezelfde stad waren. Dat komt nog enigszins in de buurt. Stel je zoiets voor, maar dan het hele seizoen lang.

De Mol is spannender, duisterder, wreder dan Wie is de Mol. Tegelijkertijd is het soms ook lichter en grappiger. Lastig uit te leggen. Er staat vaak veel op het spel bij opdrachten, maar de kandidaten houden zich minder/niet bezig met bondjes sluiten en jokers stelen (die zijn er niet eens). Je ziet meer van de reis zelf, je ziet ze ‘s ochtends aan de dag beginnen, souvenirs kopen, samen eten (vaak met presentator Gilles er ook bij). In eerdere seizoenen zag je ze zelf naar de volgende locatie rijden. Soms hoort het bij het spel, gaat het door aan tafel, betekent het iets wat voor muziek er wordt gedraaid in de auto, soms niet. Natuurlijk proberen ze in Vlaanderen net zo goed spraakmakende en memorabele kandidaten te casten. Natuurlijk is het gemonteerd. Maar toch lijkt het echter dan Wie is de Mol. Omdat de kandidaten niet gewend zijn op tv te komen. Omdat er tot nu toe in ieder seizoen een moment was waarop partners of familieleden van de kandidaten langskwamen (en die deden dan ook mee aan opdrachten!). Omdat ik het makkelijker vind om me te identificeren met onbekende Vlamingen dan met bekende Nederlanders.

Het maakplezier van het productieteam spat er voor mij af. Doordat het geheel zo goed in elkaar zit, maar ook door de details, de moeite die ze vaak in een bepaalde opdracht steken (in dit seizoen hadden ze bijvoorbeeld jongleerballen laten maken met de gezichten van de kandidaten erop). Door de humor, vaak met een wreed of absurdistisch tintje (zo ketenden ze de kandidaten voor een opdracht aan elkaar vast terwijl ze nog moesten ontbijten. Het ontbijt werd in buffetvorm geserveerd). Doordat ze de kijker serieus nemen. Zijn er ook minpunten? Mja, ze willen nog weleens dieren gebruiken bij opdrachten, ik denk dat dat ethischer zou kunnen.

Overigens zit ik bij De Mol standaard vol overtuiging op de verkeerde Mol. Opzet geslaagd. Maar eigenlijk maakt het me vaak niet eens uit wie de Mol zou kunnen zijn, omdat de opdrachten en de wendingen zo fantastisch zijn.

Dat ze nog maar heel veel seizoenen mogen maken.

KID

Ineens was daar het bericht dat KID voor lesbische en alleenstaande vrouwen ‘zonder medische indicatie’ niet langer wordt vergoed. Het wordt ook daadwerkelijk ineens niet meer vergoed, niet pas volgend jaar of zo.

Edit: Het wordt dit jaar ineens toch nog wél vergoed (bron). Aangezien het echter de vraag is wat er daarna gaat gebeuren en de hele gang van zaken vooralsnog weinig vertrouwen bij me oproept, heb ik deze blog verder niet aangepast.

Niet dat het iemand iets aangaat, maar wij hebben onze twee dochters gekregen via KID. We gaan hoogstwaarschijnlijk niet proberen om er nog meer te krijgen, dus in praktische zin hebben we er niets mee te maken. Maar daarbuiten uiteraard wel.

Natuurlijk kun je erover discussiëren of dit vanuit de basisverzekering moet worden vergoed. Misschien past het beter binnen een aanvullende verzekering, maar dan moet die er wel zijn. Dat is op dit moment niet het geval. Of misschien vinden we met z’n allen wel dat iedereen z’n vruchtbaarheidsbehandelingen maar uit z’n eigen zak moet betalen. Maar dan moet ook iedereen dat doen.

En heterostellen dus ook. Want dat is nu het verschil: voor vrouwen met een onvruchtbare mannelijke partner verandert er niets, de behandeling blijft vergoed. Beschik je echter niet over zaad omdat je partner een vrouw is, of omdat je geen partner hebt, dan moet je de behandeling voortaan zelf betalen (voor alle duidelijkheid: het donorzaad werd al niet vergoed, maar de inseminatie dus wel).

Er wordt dus gediscrimineerd op basis van relatiestatus, en angstaanjagend veel mensen lijken het daarmee eens te zijn. Geen man hebben is ‘immers’ geen medisch probleem. De vrouwen met een onvruchtbare man hebben zelf meestal echter even weinig problemen als de vrouwen zonder man. Het weigeren van een KID-behandeling aan lesbische stellen is directe discriminatie, oordeelde de Commissie gelijke behandeling in 2001 al. Er werd een motie aangenomen door de Tweede Kamer dat er ‘geen onredelijke drempels’ voor zo’n behandeling mochten zijn. Minister Els Borst verwoordde het standpunt van de regering ‘dat ook andere leefvormen dan het traditionele gezin met een vader en moeder een zorgzaam en stabiel opvoedingsklimaat kunnen bieden aan de kinderen die daarin opgroeien’. (bron). Dat waren nog eens tijden. Nu wordt lesbische stellen de toegang tot KID niet ontzegd, maar worden er dus wel financiële drempels opgeworpen die voor hetero’s niet worden opgeworpen. Klinkt nogal onredelijk.

Er zijn toch genoeg andere manieren om aan zaad te komen, roepen mensen. De kroeg in duiken. Een oproep plaatsen op internet. Co-ouderschap. En ongeacht hoe je aan zaad weet te komen, je kunt toch ook gewoon thuis insemineren, zo ingewikkeld is het allemaal niet. Natuurlijk ben ik op de hoogte van andere wegen. Wij hebben weloverwogen voor deze weg gekozen. Iedereen die voor deze weg kiest, doet dat weloverwogen. Zo’n traject is niet niks. Als we op de een of andere manier kinderen hadden kunnen krijgen zonder hulp van derden, hadden we dat absoluut gedaan.

Wat me hierbij opvalt: niemand heeft het over de andere opties voor heterostellen. Natuurlijk gaan heterovrouwen niet naar bed met iemand die niet hun eigen partner is om zwanger te raken. Natuurlijk krijgen heterostellen geen kinderen met een alleenstaande man of een ander stel met wie ze dan co-ouderschap aangaan. Waarom eigenlijk niet? (Het ergste vind ik misschien nog wel dat ik dat tot voor kort zelf óók niet ter discussie stelde. Lang leve de heteronormativiteit.)

De situatie is hetzelfde: een vrouw zonder medische problemen met een partner die haar niet zwanger kan maken. Maar jullie hebben geen man, zeggen mensen dan. Jullie kinderen hebben geen vader. Dat klopt. En wat dan nog? Belachelijk dat ik dit moet staven, maar dat kan ik: uit wetenschappelijk onderzoek komen geen aanwijzingen naar voren dat dat een probleem is. Kinderen met twee moeders of twee vaders zijn even gelukkig als kinderen met een vader en een moeder (bron).

De enige negatieve gevolgen worden veroorzaakt door discriminatie, door homofobie. O, en de hetero’s die besluiten om te verzwijgen voor hun kinderen dat ze gebruik hebben gemaakt van donorzaad, doen de zaak ook geen goed. Volledig anoniem donorschap mag in Nederland niet meer, wat mij betreft terecht. Onze donor is voor ons onbekend, maar zijn gegevens zijn geregistreerd. Onze dochters kunnen deze later opvragen, mochten ze dat willen, en dan zullen we ze daar uiteraard ook in steunen.

Volgens mij ontnemen we ze helemaal niets, maar er zijn blijkbaar nog altijd mensen die niet kunnen handelen dat onze relatie, ons gezin zo compleet is. Zonder vader, zonder man. En dan is het extra naar als je je moet afvragen of de overheid dat soms ook vindt. Zoals Meredith Greer schreef: ‘Het klinkt verdacht veel als een beleidstechnische “daar-moet-een-piemel-in”.’ (bron)

Gelukkig is er inmiddels enige ophef over ontstaan. Er is een petitie. Er komt een Kamerdebat. Jinek had er een item over, waarin Liliane Ploumen geweldige dingen zei.

Ik vond het wel lastig dat ik me niet kon herkennen in de vrouwen die daar werden geïnterviewd. Ik ben dus niet alleenstaand, en het klonk alsof de alleenstaande vrouw aan tafel extra verontwaardigd was over de discriminatie omdat ze daar normaal gesproken nooit mee te maken had. Ik weet het, als witte, hoogopgeleide vrouw zonder migratieachtergrond heb ik ook een heleboel privileges, maar ik ervaar deze beleidswijziging toch als het zoveelste bewijs dat sommige mensen lesbische relaties minder waard vinden dan heterorelaties. Volgens de minister is dit trouwens helemaal geen beleidswijziging. Het was al nooit de bedoeling dat het voor ons werd vergoed, ze zijn er nu alleen achter gekomen dat de behandelingen ‘ten onrechte’ werden gedeclareerd (bron). Volgens dit bericht van de NVOG speelde dit al in 2017. Bij de zwangerschap van onze tweede dochter ging het dus om een gedoogconstructie, of hoe moet ik dat zien? Gedoogd, dat is in ieder geval hoe ik me vaak voel.

Aan tafel bij Jinek zat overigens ook een lesbische vrouw, door wie ik me helaas ook niet echt gerepresenteerd voelde. Zij voert actie met de hashtag #magikjekwakkiedan (inclusief carnavalshit). Ik vrees dat je daar weinig mensen mee gaat overtuigen die KID voor lesbische vrouwen toch al te ver vinden gaan. Maar goed, sommige vrouwen komen met een goedkope hashtag, anderen publiceren een stuk op een matig gelezen blog. Als het mensen maar aan het denken zet. Als het maar helpt.

PS: Hier kun je de petitie waar ik over schreef ondertekenen, als je wilt. Dank je wel!

Waar zo’n baby allemaal geen rekening mee houdt

Dienstroosters. Handwerkprojecten. De aan- of afwezigheid van een grote zus. Geboorteplannen. Belinstructies. Hoelang het duurt voor iemand bij je is. Hoe graag je nog naar zwangerschapszwemmen gaat. Hoe bang je bent. De uitgerekende datum (niet echt, tenminste). Of je boven of beneden bent. Een eerdere bevalling van twintig uur. Dat je eigenlijk alleen maar wil slapen. Dat je speciaal nog even de langzame buikpompademhaling hebt geoefend. Dat je nooit zou bellen vanwege ‘een beetje buikpijn’.

Al die dingen daarna.

Dat je nu al vijf weken zoekt naar een gelegenheid om deze blog te schrijven.

Welkom, lieve D.!